Info



Tekst


HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1

De politiediensten vervullen hun opdrachten onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de overheden die daartoe door of krachtens de wet worden aangewezen.

   Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.

   Om hun opdrachten te vervullen, gebruiken zij slechts dwangmiddelen onder de voorwaarden die door de wet worden bepaald.

Art. 2

Deze wet is van toepassing op (de federale politie en de lokale politie ) bij de parketten, (... ). <W 1998-12-07/31, art. 150, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 1998-11-17/33, art. 8, 1°, 003; Inwerkingtreding : 5555-55-55; 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie>

   Ze is ook van toepassing op (... ), (... ) (... ), die bijzondere politiediensten zijn. <W 1998-11-17/33, art. 8, 4°, 003; Inwerkingtreding : 01-03-1999> <W 1998-11-17/33, art. 8, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie> <W 1998-11-17/33, art. 8, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-03-1999 wat betreft de luchtvaartpolitie> <NOTA : Lid 2 opgeheven bij W 1998-11-17/33, art. 8, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-03-1999; 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie>

   Deze politiediensten maken deel uit van de openbare macht.

Art. 3

In deze wet wordt verstaan onder :
1° politiemaatregel : elke juridische of materiële uitvoerbare handeling van bestuurlijke of gerechtelijke politie die voor de burgers een aanwijzing, een verplichting of een verbod inhoudt;
2° politieoverheid : de overheid door of krachtens de wet aangewezen om juridische politiemaatregelen te nemen en om politiemaatregelen uit te voeren of door de politiediensten te doen uitvoeren;
3° politieambtenaar : een lid van een politiedienst door of krachtens de wet bevoegd om bepaalde politiemaatregelen te nemen of uit te voeren en daden van bestuurlijke of gerechtelijke politie te stellen;
4° agent van gerechtelijke politie : de politieambtenaar door of krachtens de wet belast met opdrachten van gerechtelijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings [3 ... ]3 of met deze van officier van gerechtelijke politie;
5° agent van bestuurlijke politie : [4 het lid van het operationeel kader ]4 door of krachtens de wet belast met opdrachten van bestuurlijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie.
[1 6° : Controleorgaan op de politionele informatie, hierna benoemd "Controleorgaan" : het orgaan bedoeld in [5 artikel 71 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens ]5. ]1
[4 7° lid van het operationeel kader: categorie van personeelsleden van de politiediensten die bestaat uit de politieambtenaren, de beveiligingsassistenten van politie, de agenten van politie en de beveiligingsagenten van politie. ]4
[2 8° gekwalificeerde elektronische handtekening: de handtekening bedoeld in artikel 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
&sp; 9° geavanceerd elektronisch zegel: het zegel bedoeld in artikel 3. 26 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG; ]2
[5 10° wet gegevensbescherming: de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. ]5

(1)<W 2014-03-18/05, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2018-05-25/02, art. 59, 039; Inwerkingtreding : 09-06-2018> (3)<W 2018-07-19/23, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018> (4)<W 2017-11-12/07, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018> (5)<W 2019-05-22/17, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 4

(Met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie zijn bekleed :
- de provinciegouverneurs;
- de arrondissementscommissarissen;
- de burgemeesters;
- de officieren van de federale politie en van de lokale politie ). <W 1998-12-07/31, art. 151, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Bij in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning aan de politieambtenaren bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings, die de leiding van de door Hem bepaalde permanente interventiediensten uitoefenen, de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toekennen tijdens de uitoefening van die functie.

   [1 De Koning bepaalt de gevallen waarin de hoedanigheid van agent of officier van bestuurlijke politie van een personeelslid dat buiten de politiediensten is tewerkgesteld, wordt geschorst. ]1

(1)<W 2013-12-21/22, art. 16, 025; Inwerkingtreding : 10-01-2014>
HOOFDSTUK II. - Gezag over de politiediensten en leiding ervan.
Afdeling 1. - (Algemene bepalingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 152; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 5

Voor het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie staan de politiediensten onder het gezag van de bestuurlijke overheden, waaronder zij overeenkomstig de wet ressorteren.

   Onverminderd de eigen bevoegdheden van de Hoven van beroep, van de procureurs-generaal bij de Hoven van beroep [1 ... ]1, (van de federale procureur, van de onderzoeksrechters, ) van de procureurs des Konings [1 ... ]1 en van de arbeidsauditeurs, staan de politiediensten voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie onder het gezag van de Minister van Justitie, die hun de algemene richtlijnen kan geven die nodig zijn voor het vervullen van die opdrachten. De algemene richtlijnen van de Minister van Justitie worden ter informatie aan de burgemeester gegeven als ze een rechtstreekse invloed hebben op de organisatie van de (lokale ) politie. <W 1998-12-07/31, art. 153, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Overeenkomstig artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en uitgaande van de principes van specialiteit en subsidiariteit, bepaalt de minister van Justitie bij richtlijn de opdrachten van gerechtelijke politie die prioritair worden vervuld, enerzijds, door de lokale politie, anderzijds, door de gedeconcentreerde gerechtelijke directies en andere diensten van de federale politie. <W 1998-12-07/31, art. 153, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-06-20/34, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>

(1)<W 2016-04-21/06, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>
Afdeling 2. - (Betrekkingen van de politiediensten met de overheden ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 5/1

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De overheden van bestuurlijke politie en de politiediensten moeten elkaar de hen toegekomen inlichtingen betreffende de openbare orde mededelen, die tot preventieve of beteugelende maatregelen aanleiding kunnen geven.

Art. 5/2

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De politiediensten moeten bij bijzonder verslag de betrokken bestuurlijke overheden informeren over de buitengewone gebeurtenissen betreffende de openbare orde waarvan zij kennis hebben.

   Om de burgemeester in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, informeren de korpschef van de lokale politie, de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur van de federale politie hem onverwijld over de gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid in de gemeente kunnen verstoren.

   De korpschef van de lokale politie brengt bij hem verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente, over de vervulling van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de gedane en voorziene uitvoering van het zonaal veiligheidsplan.

   De korpschef van de lokale politie informeert hem bovendien voorafgaandelijk over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen op het grondgebied van de gemeente en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.

   De bestuurlijke directeur-coördinator informeert voorafgaandelijk de burgemeester over alle initiatieven die hij wil ondernemen in het kader van zijn bevoegdheden op het grondgebied van de gemeente, en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij brengt hem bovendien verslag uit over het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, waarvan hij de coördinatie waarneemt en die betrekking hebben op het grondgebied van zijn gemeente.

   (De gerechtelijke directeur ) informeert voorafgaandelijk de bestuurlijke directeur-coördinator en de burgemeester over alle operaties die de (gerechtelijke directie ) onderneemt op het grondgebied van de gemeente en die van aard zijn om de openbare rust te verstoren. <W 2006-06-20/34, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>

Art. 5/3

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie worden geregelde dienstbetrekkingen onderhouden :
1° met de procureur des Konings, door de korpschef van de lokale politie en door de gerechtelijke directeur en in de gevallen bedoeld in artikel 104 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie;
2° met de procureurs-generaal, met het college van procureurs-generaal en met de federale procureur door de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie.

Art. 5/4

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Telkens zij er kennis van krijgen, brengen de politiediensten de territoriale militaire overheden, bij bijzonder verslag, op de hoogte van alles wat de veiligheid van de strijdkrachten kan schaden, van alle propaganda waarbij de militairen tot tuchteloosheid worden aangezet, alsook van alle voorvallen waarbij militairen betrokken zijn.

Art. 5/5

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In de gebieden in staat van beleg, wanneer de macht waarmede de burgerlijke overheden voor de handhaving van de orde en van de politie bekleed zijn, door de militaire overheid wordt uitgeoefend, kan deze, met het oog op het vervullen van die opdracht, de door de omstandigheden geboden vorderingen aan de politiedienaren richten.

Art. 5/6

<Oud artikel 6> De politiediensten vervullen hun opdrachten overeenkomstig (de bevelen, onderrichtingen, vorderingen en richtlijnen ) van de bevoegde overheden, onverminderd de bevoegdheden en verplichtingen die voor bepaalde politieambtenaren voortvloeien uit hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings [1 ... ]1. <W 1998-12-07/31, art. 155, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Leden 2 en 3 opgeheven ) <W 1998-12-07/31, art. 155, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2016-04-21/06, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>
Art. 6

<Oud artikel 7> <W 1998-12-07/31, art. 156, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In de gevallen waarin de politiediensten krachtens de wet op eigen initiatief kunnen optreden, blijven zij overeenkomstig de wet ressorteren onder de bevoegde overheden.

Afdeling 3. - (Coördinatie en leiding van de operaties ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 157; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 7

<Oud artikel 8> Bij het vervullen van hun opdrachten staan (de leden van het operationeel kader van de politiediensten ) uitsluitend onder de leiding van de meerderen van de politiedienst waartoe (deze leden van het operationeel kader ) behoren, (behalve wanneer een politieambtenaar van een ander politiekorps wordt belast met de leiding op basis van een uitdrukkelijk akkoord of van een wetsbepaling ). <W 1998-12-07/31, art. 158, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>

   (In afwijking van het eerste lid, is dat akkoord niet noodzakelijk, wanneer de gerechtelijke overheid, in uitvoering van de artikelen 28ter, § 4 of 56, § 3, van het Wetboek van Strafvordering, in een bepaald onderzoek verscheidene politiediensten heeft belast met opdrachten van gerechtelijke politie en de operationele leiding van dat onderzoek aan één onder hen heeft toegewezen. ) <W 1998-12-07/31, art. 158, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 7/1

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan een politiezone, als volgt toevertrouwd :
1° in geval van gezamenlijk optreden op basis van een akkoord tussen verschillende lokale politiekorpsen, aan een korpschef van de lokale politie, die hiervoor wordt aangewezen door de betrokken burgemeester of burgemeesters;
2° in geval van gezamenlijk optreden van verschillende lokale politiekorpsen en van de federale politie, met inbegrip wanneer deze laatste tussenkomt na vordering, aan de bestuurlijke directeur-coördinator;
3° voor de uitvoering, door een lokale politie, van een vordering door de minister van Binnenlandse Zaken bedoeld bij artikel 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de bestuurlijke directeur-coördinator.

   De zonale veiligheidsraden kunnen de onder 1° bepaalde opdrachten organiseren bij middel van protocollen.

   In de gevallen bedoeld in 2° en 3°, kan de operationele coördinatie en leiding worden toevertrouwd aan een daartoe aangeduide lokale korpschef indien de betrokken lokale en federale politieoverheden dit samen beslissen.

Art. 7/2

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering beperkt is tot het grondgebied van één politiezone, toevertrouwd aan de korpschef van de lokale politie.

   De operationele coördinatie en leiding worden evenwel toevertrouwd aan de bestuurlijke directeur-coördinator in de volgende gevallen :
1° wanneer hij gevolg geeft aan het verzoek van de korpschef van de lokale politie, om deze opdracht waar te nemen;
2° wanneer de federale politie ambtshalve of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken optreedt bij de uitvoering van bovenlokale opdrachten, en deze laatste, gelet op de specifieke omstandigheden van deze tussenkomst, beslist deze functie toe te vertrouwen aan de bestuurlijke directeur-coördinator. Deze beslissing wordt, behoudens in geval van hoogdringendheid, genomen is overleg met de burgemeester;
3° wanneer de federale politie of een lokale politie tussenkomt in het kader van een vordering, respectievelijk bedoeld bij de artikelen 43 en 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist deze functies aan de bestuurlijke directeur-coördinator toe te vertrouwen.

Art. 7/3

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de zin van artikel 61 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en die het gezamenlijk optreden van één of verschillende lokale politiekorpsen en de federale politie vereist, worden uitgeoefend door het politieniveau dat in de richtlijn is aangewezen.

   Behoudens andersluidende beslissing van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie worden de operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de omstandigheid bedoeld bij artikel 63 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenwel uitgeoefend door de bestuurlijke directeur-coördinator.

Art. 7/4

<Ingevoegd bij 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met het oog op de uitvoering van de opdrachten bedoeld bij de artikelen 7/1, 7/2 en 7/3, ontvangt de bestuurlijke directeur-coördinator op zijn vraag elke nuttige inlichting vanwege de oversten van de betrokken lokale politiekorpsen.

Art. 7/5

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De commandant van elk detachement van de krijgsmacht die samen met de politie moet optreden, is verplicht de instructies in acht te nemen, welke aan hem worden gericht door de politieambtenaar die de leiding heeft van de operaties.

   Hoewel de politieambtenaar de leiding van de operaties heeft, behoudt de commandant van het detachement van de krijgsmacht het bevel over zijn detachement.

   Het gebruik van wapens door de personen die niet tot de politie behoren, wordt in dat geval geregeld overeenkomstig artikel 38, 1° en 3°.

Afdeling 4. - (De vorderingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Onderafdeling 1. - (Algemene bepalingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 8

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Iedere vordering moet schriftelijk geschieden en moet de wetsbepaling vermelden krachtens welke zij wordt verricht, alsmede het voorwerp; zij moet gedateerd zijn en de naam en hoedanigheid, alsook de handtekening van de vorderende overheid dragen.

   In spoedeisende gevallen kunnen de politiediensten met om het even welk communicatiemiddel worden gevorderd. Die vordering moet zo snel mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald bij het vorige lid.

Art. 8/1

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Ter uitvoering van de aan de politiediensten gerichte vorderingen verduidelijken de bevoegde overheden, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het onderwerp van de vordering en kunnen zij aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden aangewend.

   Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan die aanbevelingen en precieze aanwijzingen omdat hun uitvoering de vervulling van andere politieopdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de vorderende overheid hiervan zo spoedig mogelijk ingelicht. Daarbij worden de bijzondere omstandigheden die het opvolgen van die aanbevelingen en precieze aanwijzingen onmogelijk maken, vermeld. Deze bepaling ontheft de politiediensten niet van de verplichting om de vorderingen uit te voeren.

Art. 8/2

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De gevorderde politie mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Indien de vordering haar evenwel als kennelijk onwettelijk voorkomt, mag zij ze niet uitvoeren. In dat geval licht zij schriftelijk de vorderende overheid daarvan onverwijld in met opgave van de redenen.

Art. 8/3

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De werking van de vordering houdt op wanneer ze is uitgevoerd of wanneer de vorderende overheid de opheffing van de vordering, schriftelijk of mondeling, aan de chef van het gevorderde politiekorps of aan de chef van de met de uitvoering van de vordering belaste eenheid, ter kennis brengt.

Onderafdeling 2. - (Vorderingen van bestuurlijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 8/4

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van bestuurlijke politie, worden uitgevoerd onder de leiding van een politieambtenaar die bekleed is met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.

   De gevorderde politiedienst bepaalt de organisatie van de dienst alsook de aard en, onverminderd artikel 64, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aanwijzingen van de vorderende overheid. Indien de coördinatie en de operationele leiding in uitvoering van de artikelen 7/1 of 7/2 is toevertrouwd aan een korpschef van de lokale politie, dan zal de verantwoordelijke van de gevorderde politiedienst hieromtrent met de betrokken korpschef vooraf overleg plegen.

   Zonder zich in te laten met het verloop van de operaties van bestuurlijke politie, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende overheden.

   Gedurende de uitvoering van een vordering van bestuurlijke politie, moet de in het eerste lid bedoelde politieambtenaar contact blijven houden met de vorderende bestuurlijke overheid en die, behoudens in geval van overmacht, op de hoogte brengen van de middelen die hij voornemens is aan te wenden.

   De vorderende overheid, van haar kant, moet die politieambtenaar alle inlichtingen verstrekken, die nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht.

Art. 8/5

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, kan de minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van die overheid.

Onderafdeling 3. - (Vorderingen van gerechtelijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 8/6

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Op de aan de politiediensten gerichte vorderingen van gerechtelijke politie zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, inzonderheid de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van toepassing.

   De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van gerechtelijke politie worden uitgevoerd onder de leiding van politieambtenaren die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben.

   De in het vorige lid vermelde politieambtenaren bepalen de organisatie van de dienst en de aard en de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aan de precieze aanwijzingen van de vorderende overheid.

   Zonder zich in te laten met het verloop van gerechtelijke onderzoeken, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende gerechtelijke overheden.

   De in artikel 8, tweede lid, bedoelde bevestiging van een vordering van gerechtelijke politie kan blijken uit het proces-verbaal, opgesteld door de politieambtenaar die deze vordering heeft uitgevoerd.

Art. 8/7

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Indien de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie niet over het vereiste personeel en de nodige middelen beschikt om gelijktijdig de vorderingen van verschillende gerechtelijke overheden uit te voeren, beslist de federale procureur, of bij delegatie de bij artikel 47quater van het Wetboek van Strafvordering bedoelde, federale magistraat, na overleg met de directeur-generaal van deze algemene directie, aan welke vordering bij voorrang gevolg wordt gegeven.

Art. 8/8

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, en ter uitvoering, door de federale politie, van een vordering, kan de minister van Justitie, op initiatief van de federale procureur, of bij delegatie, van de in het artikel 8/7 bedoelde, federale magistraat, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van de vorderende gerechtelijke overheid.

Afdeling 5. - (Maatregelen tot overleg en coördinatie ). <W 1998-12-07/31, art. 161; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 9

<W 1998-12-07/31, art. 162, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In elke provincie, alsook in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, wordt een overleg georganiseerd tussen de procureur-generaal bij het hof van beroep, de gouverneur, de bestuurlijke directeurs-coördinator of hun gemachtigden, de gerechtelijke directeurs of hun gemachtigden en vertegenwoordigers van de lokale politiediensten. Dit overleg heeft tot doel de zonale veiligheidsraden te stimuleren. De op het vlak van het provinciaal overleg uitgebrachte adviezen worden ter kennis gebracht van de zonale veiligheidsraden en van de federale overheden. Deskundigen kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen.

   Per gerechtelijk arrondissement wordt een rechercheoverleg georganiseerd tussen de bestuurlijke directeur-coördinator of zijn gemachtigde, de (gerechtelijke directeur ) of zijn gemachtigde, vertegenwoordigers van de lokale politiediensten en de procureur des Konings, onder leiding van deze laatste. Dit overleg heeft hoofdzakelijk betrekking op de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie en op de organisatie van de uitwisseling van de informatie. De minister van Justitie bepaalt de nadere regels inzake dit rechercheoverleg. <W 2006-06-20/34, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>

   [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt het overleg bedoeld in het tweede lid georganiseerd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, onder leiding van respectievelijk de procureur des Konings van Brussel en de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde. ]1

(1)<L 2012-07-19/35, art. 2, 023; En vigueur : 31-03-2014. Zie ook art. 61, tweede lid, van W 2012-07-19/36>
Art. 9bis

<W 2005-12-27/30, art. 80; Inwerkingtreding : 09-01-2006> De Koning regelt de voorwaarden voor het gebruik van de kredieten die de Minister van Binnenlandse Zaken aan de provinciegouverneurs [1 en aan de Brusselse agglomeratie ]1 toekent voor de coördinatie van hun beleid inzake veiligheid en preventie.

(1)<W 2014-01-06/64, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
Art. 10

§ 1. (... ). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 2. (... ). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 3. (... ). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   ... De uitvoering van opdrachten van politie der luchtwegen, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de luchthavens, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord. <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   De uitvoering van opdrachten van politie der spoorwegen, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de spoorwegen, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord.

   De uitvoering van opdrachten van politie der zeevaart en van politie der scheepvaart, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de havens, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord. <W 1998-11-17/33, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie; 01-03-1999 wat betreft de luchtvaartpolitie; 01-06-1999 wat betreft de spoorwegpolitie>

Afdeling 6. - (De bevoegdheden inzake bestuurlijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 164; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 11

<W 1998-12-07/31, art. 165, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Onverminderd de bevoegdheden die hun zijn toegekend door of krachtens de wet, oefenen de minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur de bevoegdheden van de burgemeester of van de gemeentelijke instellingen in subsidiaire orde uit wanneer deze, al dan niet vrijwillig, hun verantwoordelijkheden niet nakomen, wanneer de verstoring van de openbare orde zich uitstrekt over het grondgebied van verscheidene gemeenten of, wanneer, ook al is de gebeurtenis of de situatie slechts in een enkele gemeente gelokaliseerd, het algemeen belang hun tussenkomst vereist.

   De bij het eerste lid bedoelde bevoegdheden betreffen maatregelen van bestuurlijke politie in de zin van artikel 3, 1°, behalve diegene die het voorwerp uitmaken van artikel 42 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

Art. 12

Indien, naar aanleiding van een zelfde gebeurtenis, maatregelen van algemene bestuurlijke politie en van bijzondere bestuurlijke politie gelijktijdig moeten worden getroffen, worden de beslissingen, bevelen en vorderingen van de overheden van algemene bestuurlijke politie bij voorrang uitgevoerd.

Art. 13

De maatregelen van bestuurlijke of gerechtelijke politie worden getroffen onverminderd de voor de bescherming van personen noodzakelijke maatregelen.

Art. 13bis

[1 De gerechtelijke overheden, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten delen aan de minister van Binnenlandse Zaken alle nuttige inlichtingen mee die ze bezitten en die betrekking hebben op de bescherming van het leven of de fysieke integriteit van de te beschermen personen met inachtneming van de door hun verantwoordelijke overheid bepaalde regels.

   De minister van Binnenlandse Zaken deelt aan de algemene directie bestuurlijke politie van de federale politie alle inlichtingen mee noodzakelijk ter uitvoering van de beschermingsopdrachten die haar zijn opgedragen. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2016-04-21/06, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 23-03-2017 (overgangsbepalingen art. 92 en 93) (KB 2017-03-19/01, art. 1)>
HOOFDSTUK III. [1 - Opdrachten van de politiediensten. ]1
Afdeling 1.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 1.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 14

Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, zien (de politiediensten ) toe op de handhaving van de openbare orde met inbegrip van de naleving van de politiewetten en -verordeningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goederen. <W 1998-12-07/31, art. 166, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Zij verlenen tevens bijstand aan eenieder die in gevaar verkeert.

   Daartoe zorgen zij voor een algemeen toezicht en voor controles op de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben, bezorgen zij het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding van die opdrachten hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden, voeren zij maatregelen van bestuurlijke politie uit, treffen zij materiële maatregelen van bestuurlijke politie waarvoor zij bevoegd zijn en onderhouden zij contact met elkaar, (alsmede met de bevoegde overheidsdiensten ). <W 2001-04-02/34, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Lid 4 opgeheven ) <W 1998-12-07/31, art. 166, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 15

Bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie, hebben (de politiediensten ) als taak : <W 1998-12-07/31, art. 167, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
1° de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, [2 te arresteren ]2 en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet;
2° de personen in wier [2 vrijheidsbeneming ]2 door de wet wordt voorzien, op te sporen, te vatten, [2 te arresteren ]2 en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
3° de voorwerpen waarvan de inbeslagneming voorgeschreven is, op te sporen, in beslag te nemen en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
4° het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen.

   [1 Dit artikel is eveneens van toepassing op de inbreuken op de reglementen betreffende de politie over het wegverkeer die bestraft worden met administratieve sancties. ]1

(1)<W 2014-01-06/65, art. 8, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2014> (2)<W 2017-10-31/06, art. 17, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017>
Art. 15bis

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 168; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De federale en de lokale politie vervullen de in deze onderafdeling bepaalde opdrachten overeenkomstig artikel 3 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

Art. 16

(De politiediensten ) zijn belast met de politie over het wegverkeer. Zij houden te allen tijde het verkeer vrij. <W 1998-12-07/31, art. 169, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Lid 2 opgeheven ) <W 1998-12-07/31, art. 169, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 16bis

<Ingevoegd bij W 1998-11-17/33, art. 10; Inwerkingtreding : 01-04-1999> (De federale politie ) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der zeevaart en politie der scheepvaart, zonder afbreuk te doen aan door de wet aan bepaalde agenten van de bevoegde openbare besturen toegekende politiebevoegdheden. <W 1998-12-07/31, art. 170, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 16ter

<Ingevoegd bij W 1998-11-17/33, art. 11; Inwerkingtreding : 01-03-1999> (De federale politie ) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der luchtwegen, zonder afbreuk te doen aan door de wet aan bepaalde agenten van de bevoegde openbare besturen toegekende politiebevoegdheden. <W 1998-12-07/31, art. 171, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 16quater

<Ingevoegd bij W 1998-11-17/33, art. 12; Inwerkingtreding : 01-03-1999> (De federale politie ) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der spoorwegen. <W 1998-12-07/31, art. 172, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 16quinquies

[1 De federale politie is belast met de uitoefening van de bijzondere opdrachten inzake bescherming en beveiliging. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2017-11-12/07, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
Art. 17

Bij ramp, onheil of schadegeval in de zin van de wetgeving op de civiele bescherming, begeven (de politiediensten ), zich ter plaatse en waarschuwen de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden. <W 1998-12-07/31, art. 173, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   In afwachting dat deze overheden optreden, treffen zij in onderling akkoord alle maatregelen om de in gevaar verkerende personen te redden, het evacueren van personen en goederen te beschermen en plundering te voorkomen.

   Te dien einde kunnen zij de medewerking van de bevolking vorderen die hieraan gevolg moet geven en in voorkomend geval de nodige middelen moet verschaffen.

   Zij verlaten pas de plaats van de ramp, het onheil, of het schadegeval na hiervan een officier van bestuurlijke politie te hebben ingelicht en zich ervan te hebben vergewist dat hun aanwezigheid niet langer vereist is om opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie te vervullen.

Art. 18

(De politiediensten ) houden toezicht op de geesteszieken die hun gezondheid en veiligheid ernstig in gevaar brengen of die een ernstige bedreiging vormen voor het leven en de lichamelijke integriteit van anderen. Zij beletten dat zij ronddwalen, vatten hen en lichten onmiddellijk de procureur des Konings in. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Zij ) vatten degenen die hun gemeld zijn als ontvlucht uit de psychiatrische dienst waar zij in observatie waren gesteld of waren weerhouden overeenkomstig de wet en houden ze ter beschikking van de bevoegde overheden. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 19

[2 De politiediensten houden toezicht op de geïnterneerde personen aan wie door de strafuitvoeringsrechtbank een in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen bedoelde uitvoeringsmodaliteit van de internering werd toegekend. Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden. ]2

   (Zij ) vatten de ontvluchte geïnterneerden, verwittigen onmiddellijk de procureur des Konings ervan en schikken zich naar zijn richtlijnen. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2007-04-21/01, art. 145, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-2014, vóór de inwerkingtreding> (2)<W 2014-05-05/11, art. 129, 033; Inwerkingtreding : 01-10-2016 (W 2016-05-04/03, art. 250). Overgangsbepalingen: art. 134 en 135>
Art. 20

[1 De politiediensten houden toezicht op de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, of die een uitvoeringsmodaliteit van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank genieten, op de veroordeelden die enige andere maatregel genieten die de strafuitvoering schorst, op de veroordeelden in penitentiair verlof, op de personen ten aanzien van wie een probatieopschorting is uitgesproken of de veroordeelden met uitstel, op de veroordeelden die in vrijheid werden gesteld onder toezicht, alsook op de verdachten [2 onder een bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht of ]2 die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis [3 , op de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan ]3.

   Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden die zijn opgelegd aan de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, of die een uitvoeringsmodaliteit van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank genieten, aan de veroordeelden die enige andere maatregel genieten die de strafuitvoering schorst, aan de veroordeelden in penitentiair verlof, op de personen ten aanzien van wie een probatieopschorting is uitgesproken of de veroordeelden met uitstel, aan de veroordeelden die in vrijheid werden gesteld onder toezicht, alsook aan de verdachten [2 onder een bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht of ]2 die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis ]1 [3 en aan de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan. ]3

   (Zij ) vatten de ontvluchte veroordeelden en gevangenen en stellen ze ter beschikking van de bevoegde overheden. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2007-04-26/89, art. 10, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2012> (2)<W 2012-12-27/30, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2014> (3)<W 2014-02-07/15, art. 14, 031; Inwerkingtreding : 01-05-2016 (W 2016-02-05/11, art. 47)>
Art. 21

(De politiediensten ) zien toe op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. <W 1998-12-07/31, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Zij ) vatten de vreemdelingen die geen houder zijn van de identiteitsstukken of van de documenten vereist door de reglementering op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en nemen te hunnen opzichte de maatregelen voorgeschreven door de wet of de bevoegde overheid. <W 1998-12-07/31, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 22

(De politiediensten ) houden zich op in de nabijheid van elke grote volkstoeloop en nemen de gepaste maatregelen voor het rustige verloop ervan. <W 1998-12-07/31, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   [1 Op beslissing van de bestuurlijke politieoverheid of op initiatief van de politieambtenaar die, overeenkomstig de artikelen 7/1, 7/2 of 7/3, belast is met de operationele leiding van de ordedienst, gaan zij over tot het uiteendrijven van ]1 :
1° alle gewapende samenscholingen;
2° de samenscholingen die gepaard gaan met misdaden en wanbedrijven [2 tegen personen of goederen ]2 of met overtreding van de wet van 29 juli 1934 waarbij de privé-milities verboden worden;
3° de samenscholingen waarvan blijkt dat zij gevormd zijn of zich vormen met het oog op verwoesting, moord of plundering, of om een aanslag te plegen op de lichamelijke integriteit of het leven van personen;
4° de samenscholingen die de uitvoering van de wet, van een politieverordening, van een politiemaatregel, van een gerechtelijke beslissing of van een dwangbevel hinderen.

   Wanneer (de [1 ... ]1 politie ) op grond van artikel 16 of van dit artikel ambtshalve samenscholingen uiteendrijft of zich ophoudt in de nabijheid van een grote volkstoeloop, stelt ze de burgemeester van de betrokken gemeente (en de korpschef van de betrokken lokale politie ) hiervan tevoren of, als dat niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk op de hoogte en blijft ze bij dergelijke interventies bestendig met hen in contact. <W 1998-12-07/31, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2016-04-21/06, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (2)<W 2018-07-19/23, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018>
Art. 23

§ 1. Behoudens een bijzondere vordering van de gerechtelijke overheden, zorgen de politiediensten met het oog op de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie waarmee zij belast zijn, voor het halen van gevangenen uit hun plaats van opsluiting.

§ 2. De politiediensten zorgen voor de bewaking van de overeenkomstig artikel 15, 1° en 2°, [2 van hun vrijheid benomen ]2 personen en leiden ze voor de bevoegde procureur des Konings [1 ... ]1 of onderzoeksrechter of naar het aangewezen huis van bewaring.

   Zij brengen de ter uitvoering van een vonnis of een arrest [2 van hun vrijheid benomen ]2 personen naar de dichtstbij gelegen strafinrichting.

§ 3. (De lokale politie ) voert de opdrachten waarin de §§ 1 en 2 voorzien uit binnen de grenzen van het gerechtelijk arrondissement (onverminderd de toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus ). <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 4. (De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen ) voor de handhaving van de orde in de hoven en rechtbanken en voor de bewaking van de gevangenen ter gelegenheid van hun verschijning voor de gerechtelijke overheden. <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   [3 Zij zorgen voor de uitvoering en de bescherming bij de overbrenging van gevangenen tussen strafinrichtingen en bij het halen van gevangenen uit strafinrichtingen om ze naar de hoven en rechtbanken of naar een andere plaats over te brengen. In deze gevallen zorgen zij ook voor de bewaking van de gevangenen op deze plaatsen. ]3

[3 § 4bis. In het raam van de uitvoering van de in de §§ 2 en 4 voorziene opdrachten voeren de politieambtenaren, de beveiligingsagenten van politie en de beveiligingsassistenten van politie, onverminderd de toepassing van artikel 37bis, de met toepassing van de artikelen 759 tot 763 van het Gerechtelijk Wetboek door het vonnisgerecht bevolen dwangmaatregelen, alsook de met toepassing van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering door het vonnisgerecht bevolen vrijheidsberovingsmaatregelen uit. ]3

§ 5. De federale politie en, in de omstandigheden bedoeld in artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de lokale politie zorgen voor de handhaving van de orde en de veiligheid in de gevangenissen in geval van oproer of onlusten die van aard zijn de openbare orde ernstig in gevaar te brengen, wanneer zij daartoe gevorderd worden door de Directeur-generaal van [1 de penitentiaire inrichtingen ]1 of zijn afgevaardigde omdat de middelen en het personeel van het gevangeniswezen ontoereikend blijken. <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2001-04-02/34, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

[3 § 6. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen, op verzoek van de gerechtelijke overheden, voor de overbrenging van de minderjarigen naar specifieke instellingen, alsook voor de uitvoering en de bescherming van de overbrengingen en de uithalingen van de minderjarigen tussen deze instellingen en naar een andere plaats. ]3

[3 § 7. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen, op verzoek van de bevoegde overheden, voor de overbrenging van de geïnterneerden naar private instellingen of inrichtingen tot bescherming van de maatschappij. ]3

[3 § 8. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen voor de uitvoering en de bescherming van de uithalingen van gevangenen met het oog op overdracht aan buitenlandse overheden.

   Zij zorgen eveneens voor de in ontvangstneming van gevangenen die aan de Belgische overheden worden overgedragen. ]3

[3 § 9. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen voor de overbrenging van gerechtelijke dossiers met het oog op de uitoefening van het wettelijk inzagerecht. ]3

(1)<W 2016-04-21/06, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (2)<W 2017-10-31/06, art. 18, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017> (3)<W 2017-11-12/07, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
Art. 24

(De politiediensten ) nemen ten aanzien van de gevaarlijke of verlaten dieren alle nodige beveiligingsmaatregelen om een einde te maken aan hun rondzwerven. <W 1998-12-07/31, art. 178, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Art. 25

(De leden van het operationeel kader van de politiediensten ) (... ) kunnen niet met andere administratieve taken worden belast dan die welke hun uitdrukkelijk worden opgedragen door of krachtens de wet. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>

   In afwijking van het eerste lid, kunnen (hen ) administratieve taken worden toevertrouwd ten aanzien waarvan de uitoefening van politiebevoegdheden is vereist voor het volbrengen ervan en waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie in onderling akkoord de lijst bepalen. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Aan de politieambtenaren kunnen door de gerechtelijke overheden onderzoeken in tuchtrechtelijke aangelegenheden worden toevertrouwd. ) <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Bij openbare plechtigheden kunnen (de politiediensten ) worden opgedragen te zorgen voor een protocollaire aanwezigheid en voor de begeleiding van overheden en gestelde lichamen. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Onderafdeling 2.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
HOOFDSTUK IV. [1 - De algemene vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten. ]1
Afdeling 1. [1 - Zichtbaar gebruik van camera's ]1
Art. 25/1

[1 § 1. Deze afdeling regelt de plaatsing en het gebruik van camera's op zichtbare wijze door de politiediensten.

   De camera's waarvan de modaliteiten voor plaatsing en gebruik door de politiediensten worden geregeld door of krachtens een bijzondere wetgeving worden niet beoogd door deze afdeling.

§ 2. De bepalingen onder deze afdeling zijn van toepassing op de politiediensten, wanneer ze in real time toegang hebben tot beelden van bewakingscamera's geplaatst door andere verantwoordelijken voor de verwerking, met toepassing van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's of van andere wetten, als deze toegang opname van de beelden bij de politiediensten zelf inhoudt. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/2

[1 § 1. Voor de toepassing van deze wet, wordt verstaan onder :
1° mobiele camera : de camera die wordt verplaatst tijdens het gebruik ervan;
2° tijdelijk vaste camera : de camera die voor een beperkte tijd op een plaats wordt opgesteld;
3° intelligente camera : de camera die ook onderdelen en software bevat, die al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kunnen verwerken;
4° niet-besloten plaats : elke plaats die niet door een omsluiting is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek, waaronder de openbare wegen beheerd door de openbare overheden bevoegd voor het wegbeheer;
5° voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende plaats, bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;
6° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;
7° omsluiting : afbakening van een plaats bestaande uit minstens een duidelijke visuele afscheiding of een aanduiding waardoor de plaatsen duidelijk van elkaar onderscheiden kunnen worden.

§ 2. Wordt als zichtbaar beschouwd :
1° het gebruik van vaste camera's, in voorkomend geval tijdelijk, aangegeven met een door de Koning vastgesteld pictogram, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens;
2° het gebruik van mobiele camera's
a) hetzij gemonteerd aan boord van politievoertuigen, -vaartuigen, -luchtvaartuigen of elk ander vervoermiddel van de politie, dat als dusdanig geïdentificeerd kan worden;
b) hetzij met mondelinge waarschuwing uitgaande van leden van het operationeel kader van de politiediensten, die als dusdanig identificeerbaar zijn; ]1
[2 3° wat het gebruik van vaste camera's in de Belgische maritieme zones zoals bepaald in artikel 1.1.1.4 van het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt het pictogram bedoeld in de bepaling onder 1° vervangen door de bekendmaking zoals bepaald in artikel 4.6.1.6, § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek. ]2

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (2)<W 2022-10-13/10, art. 27, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
Art. 25/3

[1 § 1. In het kader van hun opdrachten, kunnen de politiediensten camera's op zichtbare wijze gebruiken, onder de volgende voorwaarden :
1° in de niet-besloten plaatsen en de besloten plaatsen waarvan zij de beheerder zijn : vaste, tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn;
2° in voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, waarvan zij niet de beheerder zijn :
a) mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, tijdens de duur van een interventie;
b) vaste en tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, mits het akkoord van de beheerder van de plaats, in de luchthavens, havenfaciliteiten zoals bedoeld in artikel 5, 6°, van de wet van 5 februari 2007 betreffende de maritieme beveiliging, stations van het openbaar vervoer, en plaatsen die door hun aard aan een bijzonder veiligheidsrisico onderhevig zijn, aangeduid bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies wordt voorgelegd aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens;
c) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, tijdens de duur van de operatie;
d) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van goederen, voor zover de beheerder van de plaats zich hiertegen niet heeft verzet, tijdens de duur van de operatie;
3° in niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, waarvan zij niet de beheerders zijn :
a) mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, tijdens de duur van een interventie;
b) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, tijdens de duur van de operatie;
c) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van goederen, voor zover de beheerder van de plaats zich hiertegen niet heeft verzet, tijdens de duur van de operatie;

§ 2. Het zichtbare gebruik van camera's voor het inwinnen van informatie van bestuurlijke politie bedoeld in artikel 44/5, § 1, is uitsluitend toegelaten in de gevallen bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, 2° tot 6°. Wat artikel 44/5, § 1, eerste lid, 5°, betreft, kan dat gebruik bovendien alleen worden toegelaten ten aanzien van de categorieën van personen bedoeld in artikelen 18, 19 en 20.

§ 3. Camera's mogen noch beelden opleveren die de intimiteit van een persoon schenden, noch gericht zijn op het inwinnen van informatie over de raciale of etnische oorsprong van een persoon, zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, zijn politieke opvattingen, zijn vakbondslidmaatschap, zijn gezondheidstoestand, zijn seksleven of zijn seksuele geaardheid. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 8, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/4

[1 § 1.Een politiedienst kan camera's plaatsen en gebruiken overeenkomstig artikel 25/3, of op zichtbare wijze gebruik maken van camera's geplaatst door derden zoals bedoeld in artikel 25/1, § 2, op het grondgebied dat onder zijn bevoegdheid valt, na voorafgaande principiële toestemming van :
1° de gemeenteraad, wanneer het gaat om een politiezone;
2° de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde, voor de diensten van de federale politie.

§ 2. Om deze toestemming te bekomen wordt er een aanvraag ingediend bij de in paragraaf 1 aangewezen bevoegde overheid door :
1° de korpschef, wanneer het gaat om een politiezone;
&sp; 2° de territoriaal bevoegde bestuurlijke directeur- coördinator, of de directeur van de aanvragende dienst, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie.

   De in het eerste lid bedoelde toestemmingsaanvraag preciseert het type camera, de doeleinden waarvoor de camera's zullen worden geïnstalleerd of gebruikt, evenals de gebruiksmodaliteiten ervan, en voor wat betreft de vaste camera's ook de plaats. Deze aanvraag houdt rekening met een impact- en risicoanalyse op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op operationeel niveau, met name wat de categorieën van verwerkte persoonsgegevens betreft, de proportionaliteit van de aangewende middelen, de te bereiken operationele doelstellingen en de bewaartermijn van de gegevens die nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

   Bij wijziging van het type camera of van de gebruiksdoeleinden ervan, alsook wat de vaste camera's betreft, in geval van wijziging van de plaats, wordt een nieuwe toestemming aangevraagd.

§ 3. In geval van met redenen omklede hoogdringendheid, waarbij de in paragraaf 1 bedoelde toestemming nog niet werd bekomen, vraagt de korpschef dan wel de bestuurlijke directeur-coördinator of de directeur van de aanvragende dienst, afhankelijk van het geval, mondeling de toestemming aan de bevoegde overheid om gebruik te maken van camera's in het kader van de specifieke opdracht die de hoogdringendheid rechtvaardigt. Deze mondelinge toestemming wordt vervolgens zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd door de bevoegde overheid.

   Wat betreft de politiezones, kan de bevoegde overheid vertegenwoordigd worden door de betrokken burgmeester om de mondelinge toestemming te geven in het geval van hoogdringendheid zoals bedoeld in het eerste lid.

§ 4. Elke beslissing tot toestemming bedoeld in paragraaf 1 wordt ter kennis gebracht van de procureur des Konings.

   In het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt de beslissing tot toestemming ter kennis gebracht van de burgemeester en de korpschef.

   De in paragraaf 1 bedoelde toestemming wordt openbaar gemaakt wanneer zij betrekking heeft op opdrachten van bestuurlijke politie.

§ 5. De in paragraaf 1 bedoelde toestemming wordt niet gevraagd, als het gaat om het plaatsen en het gebruik van camera's in besloten plaatsen waarvan de politiediensten de beheerders zijn. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 9, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/5

[1 § 1. Het gebruik van camera's vindt plaats op beslissing en onder de verantwoordelijkheid van de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, die waakt over de naleving van de proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginselen.

§ 2. Wanneer andere personen dan leden van de politiediensten in real time toegang hebben tot de beelden van de camera's waarvan de plaatsing en het gebruik door deze wet worden geregeld, in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hen worden toevertrouwd door of krachtens de wet die hun opdrachten regelt, gebeurt het bekijken van deze beelden in real time onder toezicht van de politiediensten, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 10, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/6

[1 De informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van camera's kunnen worden geregistreerd en bewaard voor een duur van niet meer dan twaalf maanden, te rekenen vanaf de registratie ervan, tenzij in een andere termijn voorzien wordt in afdeling 12 van dit hoofdstuk. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 11, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/7

[1 § 1. De toegang tot de in artikel 25/6 bedoelde persoonsgegevens en informatie wordt toegelaten gedurende een periode van een maand, te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat het operationeel gemotiveerd is en dat het noodzakelijk is voor de uitoefening van een welbepaalde opdracht.

   Na de eerste bewaarmaand is de toegang tot die persoonsgegevens en informatie enkel voor doeleinden van gerechtelijke politie mogelijk mits een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de procureur des Konings.

   De toegang tot deze persoonsgegevens en informatie is beveiligd, alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt en de concrete redenen van de bevragingen worden geregistreerd.

§ 2. De persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 kunnen na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de leden van de politiediensten. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 25/8

[1 Een register met alle gebruiken van camera's wordt bijgehouden bij de betrokken politiedienst en op een digitale wijze bewaard. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens.

   Een nationaal register met de geolocalisatie van alle door de politiediensten gebruikte vaste camera's wordt door de federale politie bijgehouden en op digitale wijze bewaard.

   [2 De in het eerste en tweede lid bedoelde registers worden, op verzoek, ter beschikking gesteld van het Controleorgaan, van de bestuurlijke en gerechtelijke politieoverheden en van de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in artikel 144 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. ]2 ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 13, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (2)<W 2019-05-22/17, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Afdeling 2. [1 - Bezoek van bepaalde plaatsen ]1
Art. 26

(De politieambtenaren ) kunnen steeds de voor het publiek toegankelijke plaatsen alsook de verlaten onroerende goederen betreden teneinde toe te zien op de handhaving van de openbare orde en de naleving van de politiewetten en -verordeningen. <W 1998-12-07/31, art. 180, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Zij ) kunnen steeds diezelfde plaatsen betreden teneinde opdrachten van gerechtelijke politie uit te voeren. <W 1998-12-07/31, art. 180, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning kunnen zij hotelinrichtingen en andere logiesverstrekkende inrichtingen bezoeken. Zij kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de inschrijvingsdocumenten van de reizigers doen overleggen.

Afdeling 3. [1 - Fouilleringen ]1
Art. 27

[1 Onverminderd de bepalingen betreffende de noodplanning, kunnen de politieambtenaren, bij het uitoefenen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, bij ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd, zowel `s nachts als overdag gebouwen, bijgebouwen en vervoermiddelen doorzoeken in elk van de volgende gevallen :
1° op verzoek van de persoon die het werkelijk genot heeft van een niet voor het publiek toegankelijke plaats of mits de toestemming van die persoon;
2° wanneer het hun op die plaats gemelde gevaar een uitermate ernstig en ophanden zijnde karakter vertoont dat het leven of de lichamelijke integriteit van personen bedreigt en op geen andere wijze kan worden afgewend. ]1

   Bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, kunnen de politieambtenaren (... ), in geval van ernstig en nakend gevaar, eveneens onbebouwde zones doorzoeken. <W 1998-12-07/31, art. 181, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Het in dit artikel bedoelde doorzoeken mag slechts geschieden om personen op te sporen die in gevaar verkeren of om de oorzaak van het gevaar op te sporen en, in voorkomend geval, te verhelpen.

   De ontruiming van die gebouwen of zones evenals van hun onmiddellijke omgeving kan in diezelfde gevallen door een officier van bestuurlijke politie bevolen worden.

   In deze verschillende gevallen, dient de bevoegde burgemeester zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gebracht alsmede, naargelang de omstandigheden en in de mate van het mogelijke, de persoon die het werkelijk genot heeft van het gebouw, van het vervoermiddel of van de doorzochte zone of van het gebouw of de zone die werd ontruimd.

(1)<W 2018-07-19/23, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018>
Art. 28

§ 1. De politieambtenaren kunnen bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie en om er zich van te vergewissen dat een persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde, een veiligheidsfouillering doen in de volgende gevallen :
1° Indien de politieambtenaar, op grond van de gedragingen van deze persoon, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden heeft om te denken dat de persoon die aan een identiteitscontrole wordt onderworpen in de gevallen en de voorwaarden bepaald in artikel 34, een wapen zou kunnen dragen of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde;
2° wanneer een persoon het voorwerp uitmaakt van een [1 bestuurlijke arrestatie of gerechtelijke vrijheidsbeneming ]1;
3° wanneer personen deelnemen aan openbare bijeenkomsten die een reële bedreiging vormen voor de openbare orde;
4° wanneer personen toegang hebben tot plaatsen waar de openbare orde wordt bedreigd.

   De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon evenals door de controle van de bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan één uur worden opgehouden.

   In de in 3° en 4° bedoelde gevallen wordt de fouillering uitgevoerd op bevel en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie; zij wordt uitgevoerd door een politieambtenaar van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde.

§ 2. Bij het vervullen van hun gerechtelijke opdrachten, kunnen de politieambtenaren een gerechtelijke fouillering verrichten van de personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke [1 vrijheidsbeneming ]1, alsook van de personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdaad of wanbedrijf bij zich dragen.

   De gerechtelijke fouillering mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan zes uur worden opgehouden.

   De gerechtelijke fouillering wordt uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van gerechtelijke politie.

§ 3. De politieambtenaren kunnen personen die in een cel worden opgesloten vooraf op het lichaam fouilleren.

   Deze fouillering heeft tot doel zich ervan te vergewissen dat de persoon niet in het bezit is van voorwerpen of stoffen die gevaarlijk zijn voor hemzelf of voor anderen of die van die aard zijn een ontvluchting te vergemakkelijken en mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd. Zij wordt uitgevoerd door een politieambtenaar of een andere persoon van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde en naargelang van het geval, overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie.

§ 4. Om de veiligheid van het internationaal vervoer te verzekeren, kan de overheid van bestuurlijke politie, binnen de perken van haar bevoegdheden, veiligheidsfouilleringen voorschrijven, uit te voeren in de omstandigheden en volgens de nadere regels die zij bepaalt. <W 1998-11-17/33, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie; 01-03-1999 wat betreft de luchtvaartpolitie> <W 1998-12-07/31, art. 182, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 1999-04-19/50, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2017-10-31/06, art. 19, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017>
Art. 29

De politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt :
1° om een misdrijf te plegen;
2° om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen een schuilplaats te geven of te vervoeren;
3° om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren.

   Zij kunnen dit eveneens wanneer de bestuurder weigert te laten controleren of zijn voertuig in overeenstemming is met de wet.

   Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen. Het voertuig mag niet langer dan één uur worden opgehouden voor het doorzoeken uitgevoerd in het raam van het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie.

   Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.

Afdeling 4. [1 - Bestuurlijke inbeslagneming en aanhouding ]1
Art. 30

[1 § 1. De [2 leden van het operationeel kader ]2 mogen, in de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben, de voorwerpen of dieren die een gevaar betekenen voor het leven of de lichamelijke integriteit van personen of de veiligheid van goederen aan het vrije beschikkingsrecht van de eigenaar, de bezitter of de houder onttrekken, zolang zulks met het oog op de openbare veiligheid of de openbare rust vereist is.

   Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie.

§ 2. De voorwerpen die zijn in beslag genomen bij wijze van bestuurlijke maatregel, worden gedurende maximaal zes maanden ter beschikking gehouden van de houder, bezitter of eigenaar tenzij het om dwingende redenen van openbare veiligheid gerechtvaardigd is om ze onmiddellijk te vernietigen.

   Tot die vernietiging wordt besloten door de bevoegde overheid van bestuurlijke politie.

§ 3. De Koning kan de nadere regels bepalen voor het bewaren, teruggeven of vernietigen van de in beslag genomen voorwerpen. ]1

(1)<W 2016-04-21/06, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 26-01-2019 (overgangsbepalingen art. 92 en 93) (KB 2018-12-07/26, art. 2)> (2)<W 2017-11-12/07, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 31

Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie en onverminderd de bevoegdheden uitdrukkelijk toegekend bij wetten van bijzondere politie, kunnen de (politieambtenaren ) in geval van volstrekte noodzaak overgaan tot de bestuurlijke aanhouding : <W 1998-12-07/31, art. 184, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
1° van een persoon die hen hindert in het vervullen van hun opdracht het verkeer vrij te houden;
2° van een persoon die de openbare rust daadwerkelijk verstoort;
3° van een persoon, ten aanzien van wie er op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat hij voorbereidingen treft om een misdrijf te plegen dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, met als doel hem te beletten een dergelijk misdrijf te plegen;
4° van een persoon die een misdrijf pleegt dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, teneinde dit misdrijf te doen ophouden.

   In de in het tweede lid van artikel 22 gepreciseerde gevallen kunnen de politieambtenaren overgaan tot de bestuurlijke aanhouding van personen die de openbare rust verstoren en hen van de plaats van de samenscholing verwijderen.

   De vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval twaalf uur te boven gaan [1 , behalve wanneer een andere termijn van vrijheidsbeneming voorzien is in de nationale reglementering of de internationale reglementering die België verbindt ]1.

   (lid 4 opgeheven ) <W 2007-04-25/38, art. 53, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

   [1 ... ]1

(1)<W 2018-07-19/23, art. 5, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018>
Art. 32

In geval van samenloop van een gerechtelijke [1 arrestatie ]1 in de zin van het artikel 15, 1° en 2°, met een bestuurlijke [1 arrestatie ]1, mag de vrijheidsbeneming niet langer dan [1 achtenveertig ]1 uur duren.

(1)<W 2017-10-31/06, art. 20, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017>
Art. 33

De agent van bestuurlijke politie die een bestuurlijke aanhouding verricht, verwittigt hiervan zo spoedig mogelijk de officier van bestuurlijke politie onder wiens gezag hij ressorteert.

   De officier van bestuurlijke politie die een bestuurlijke aanhouding verricht of handhaaft, doet die aanhouding registreren en brengt hiervan zo spoedig mogelijk de burgemeester (van de betrokken gemeente ) of, in voorkomend geval, de speciaal bevoegde bestuurlijke politieoverheid op de hoogte. <W 1998-12-07/31, art. 185, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (lid 3 opgeheven ) <W 2007-04-25/38, art. 54, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

   (lid 4 opgeheven ) <W 2007-04-25/38, art. 54, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

Art. 33bis

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 55; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke vrijheidsberoving wordt ingeschreven in het register van de vrijheidsberovingen.

   Dit register is de weergave van het chronologisch verloop van de vrijheidsberoving vanaf het begin tot het einde ervan of tot het ogenblik van de overdracht van de betrokken persoon aan de bevoegde overheden of diensten.

   De inhoud en de vorm van het register van de vrijheidsberovingen en de voorwaarden waaronder de gegevens worden bewaard, worden door de Koning bepaald.

Art. 33ter

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 56; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke bestuurlijke aangehouden persoon moet in kennis worden gesteld van :
- de vrijheidsberoving;
- de redenen van de vrijheidsberoving;
- de maximale duur van deze vrijheidsberoving;
- de materiële procedure van de opsluiting;
- de mogelijkheid tot het nemen van dwangmaatregelen.

   De in deze wet bedoelde rechten die uit de vrijheidsberoving voortvloeien worden hetzij mondeling hetzij schriftelijk en in een taal die hij begrijpt medegedeeld aan elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding, en dit op het ogenblik dat de officier van bestuurlijke politie de vrijheidsberoving verricht of handhaaft.

   Deze kennisgeving wordt schriftelijk bevestigd in het register van de vrijheidsberovingen. De mededeling van de rechten van de aangehoudenen kan collectief georganiseerd worden mits deze procedure als dusdanig wordt opgenomen in het register.

Art. 33quater

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 57; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding, mag vragen dat een vertrouwenspersoon wordt verwittigd.

   Wanneer de officier van bestuurlijke politie ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verwittigen van een derde persoon een gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, kan hij beslissen aan dit verzoek geen gevolg te geven en maakt hij hiervan melding in het register van de vrijheidsberovingen met opgave van de redenen die tot zijn beslissing heeft geleid.

   Indien de van de vrijheid beroofde persoon minderjarig is, wordt de persoon die belast is met het toezicht erop hiervan ambtshalve verwittigd.

Art. 33quinquies

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 58; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding heeft recht op medische bijstand.

   Onverminderd het recht voorzien in het eerste lid, heeft elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding subsidiair het recht een onderzoek door een arts naar keuze te vragen. De kosten voor dit onderzoek vallen ten laste van de betrokken persoon.

Art. 33sexies

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 58; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een vrijheidsberoving heeft tijdens de ganse duur van zijn vrijheidsberoving recht op voldoende drinkwater, het gebruik van aangepast sanitair en, rekening houdende met het tijdstip, recht op een maaltijd.

Art. 33septies

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 62; Inwerkingtreding : 18-05-2007> De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de toerekening van de kosten en de praktische organisatie ingevolge de toepassing van de artikelen 33quinquies, eerste alinea, en 33sexies.

Afdeling 5. [1 - Identiteitscontrole ]1
Art. 34

§ 1. De politieambtenaren controleren de identiteit van ieder persoon wiens vrijheid wordt benomen of die [1 een feit strafbaar met een administratieve of strafrechtelijke sanctie ]1 heeft gepleegd.

   Zij kunnen eveneens de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat hij wordt opgespoord, dat hij heeft gepoogd of zich voorbereidt om een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of heeft verstoord.

§ 2. Overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie, kunnen (de politieambtenaren ) eveneens de identiteit controleren van ieder persoon die een plaats wenst te betreden die het voorwerp is van een bedreiging in de zin van artikel 28, § 1, 3° en 4°. <W 1998-12-07/31, art. 186, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 3. Teneinde de openbare veiligheid te handhaven of de naleving te verzekeren van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kunnen de overheden van bestuurlijke politie, binnen de perken van hun bevoegdheden, identiteitscontroles voorschrijven, uit te voeren door de politiediensten in de omstandigheden die deze overheden bepalen.

§ 4. De identiteitsstukken die aan de politieambtenaar overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.

   Indien de persoon waarvan sprake in voorgaande paragrafen weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden opgehouden gedurende de voor de verificatie van zijn identiteit noodzakelijke tijd.

   De mogelijkheid moet hem worden geboden zijn identiteit te bewijzen op eender welke wijze.

   In geen geval mag de betrokkene te dien einde langer dan twaalf uur worden opgehouden.

   (Indien de vrijheidsberoving geschiedt met het oog op het verifiëren van de identiteit, maakt de politieambtenaar die deze verrichting doet, daarvan melding in het register van de vrijheidsberovingen. ) <W 2007-04-25/38, art. 60, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>

(1)<W 2016-04-21/06, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>
Afdeling 6. [1 - Bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid ]1
Art. 35

[3 De leden van het operationeel kader ]3 mogen [2 van hun vrijheid benomen ]2 personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid blootstellen. <W 1998-12-07/31, art. 187, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   [1 Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen of beeldopnamen gemaakt door journalisten of derden die vreemd zijn aan hun zaak. ]1

   Behalve om hun verwanten te verwittigen, mogen zij de identiteit van de betrokken personen niet bekend maken zonder daartoe de instemming van de bevoegde gerechtelijke instantie te hebben gekregen.

(1)<W 2016-04-21/06, art. 11, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (2)<W 2017-10-31/06, art. 21, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017> (3)<W 2017-11-12/07, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Afdeling 7. [1 - Berekening van de termijnen ]1
Art. 36

De termijnen bedoeld in de artikelen 28, 29, 31, 32 en 34 gaan in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon [1 ... ]1 niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Afdeling 8. [1 - Gebruik van dwangmiddelen ]1
Art. 37

Bij het vervullen van zijn opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie kan [1 elk lid van het operationeel kader ]1, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op een andere wijze kan worden bereikt.

   Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.

   Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 15, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 37bis

<Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 61; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Onverminderd de bepalingen van artikel 37, mogen de [2 leden van het operationeel kader ]2 enkel in de volgende gevallen een persoon boeien :
1° bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van gedetineerden.
2° bij de bewaking van een persoon die het voorwerp uitmaakt van een [1 gerechtelijke vrijheidsbeneming of bestuurlijke arrestatie ]1, als het noodzakelijk wordt beschouwd, gelet op de omstandigheden onder meer op grond van :
- [1 het gedrag van de persoon bij of tijdens de vrijheidsbeneming; ]1
- diens gedrag bij vroegere vrijheidsberovingen;
- de aard van het gepleegd misdrijf;
- de aard van de veroorzaakte storing van de openbare orde;
- het verzet of geweld tegen de [1 vrijheidsbeneming ]1;
- het ontvluchtingsgevaar;
- het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor [2 het lid van het operationeel kader ]2, agent van politie of derden vormt;
- het gevaar dat betrokkene zal trachten bewijzen te vernietigen of schade te veroorzaken.

(1)<W 2017-10-31/06, art. 22, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017> (2)<W 2017-11-12/07, art. 16, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 37ter.

[1 Onverminderd de bepalingen van artikel 37, is het boeien van een minderjarige persoon door leden van het operationeel kader verboden, behalve in de volgende gevallen:
1° bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit gepleegd hebben of daarvan verdacht worden;
2° bij de bewaking van een minderjarige die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke vrijheidsbeneming of een bestuurlijke arrestatie.

   In beide gevallen mag een minderjarige slechts uitzonderlijk geboeid worden en alleen als het noodzakelijk wordt beschouwd, gelet op de omstandigheden op grond van:
1° het verzet of geweld tegen de vrijheidsbeneming;
2° het acute ontvluchtingsgevaar;
3° het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor het lid van het operationeel kader, of voor derden vormt;
4° het acute gevaar dat betrokkene zal trachten bewijzen te vernietigen.

   Het aanleggen van handboeien mag niet langer duren dan noodzakelijk op basis van de omstandigheden en moet steeds tot een zo kort mogelijke duurtijd beperkt worden. In geen geval mag de minderjarige geboeid blijven wanneer de omstandigheden die het boeien rechtvaardigen, ophouden te bestaan.

   In geval van twijfel over de meerderjarigheid wordt de regeling van toepassing op minderjarigen toegepast.

   Van elk geval van het aanleggen van handboeien bij minderjarigen wordt melding gemaakt in, naargelang van het geval, het proces-verbaal of in het register van de vrijheidsberovingen, waarbij het aanleggen van handboeien uitdrukkelijk met redenen moet worden omkleed op basis van de wettelijke voorwaarden. Dit register wordt opgenomen in de basisgegevensbanken zoals bedoeld in artikel 44/11/2. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2022-11-16/07, art. 2, 047; Inwerkingtreding : 01-03-2023>
Art. 38

Onverminderd de bepalingen van artikel 37, kunnen de [1 leden van het operationeel kader ]1 slechts gebruik maken van vuurwapens tegen personen in de volgende gevallen :
1° in het geval van wettige verdediging in de zin van de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek;
2° tegen gewapende personen of in de richting van voertuigen aan boord waarvan zich gewapende personen bevinden, in geval van misdaad of van een op heterdaad ontdekt wanbedrijf in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering, welke misdaad of welk wanbedrijf met geweld zijn gepleegd, indien redelijkerwijze mag aangenomen worden dat die personen in het bezit zijn van vuurwapens klaar voor gebruik en dat zij deze wapens zullen gebruiken tegen personen;
3° wanneer in het geval van volstrekte noodzakelijkheid, de politieambtenaren (... ) de aan hun bescherming toevertrouwde personen, posten, vervoer van gevaarlijke goederen of plaatsen op geen andere wijze kunnen verdedigen. <W 1998-12-07/31, art. 188, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   In dit geval mogen de vuurwapens slechts gebruikt worden overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie;
4° wanneer in het geval van volstrekte noodzakelijkheid, de politieambtenaren (... ) de personen die aan hun bescherming zijn toevertrouwd in het raam van de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie op geen andere wijze kunnen verdedigen. <W 1998-12-07/31, art. 188, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   In dit geval mogen de vuurwapens enkel worden gebruikt overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van gerechtelijke politie.

   Het gebruik van wapens geregeld in 2°, 3° en 4°, geschiedt eerst na waarschuwing met luide stem of met enig ander beschikbaar middel, een waarschuwingsschot inbegrepen, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 17, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 39

(Opgeheven ) <W 1998-12-07/31, art. 189, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Afdeling 9. [1 - Processen-verbaal ]1
Art. 40

[1 § 1. De klachten en aangiften die worden ingediend bij de leden van het operationeel kader evenals de inlichtingen die zij hebben verkregen en de vaststellingen die zij gedaan hebben in verband met misdrijven, alsook de vaststellingen gedaan door de leden van het administratief en logistiek kader bedoeld in artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wanneer zij gemachtigd zijn om processen-verbaal op te stellen, maken het voorwerp uit van processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheid worden overgezonden.

   De processen-verbaal worden opgesteld in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm.

§ 2. Het gedematerialiseerde proces-verbaal wordt door de verbalisant ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening.

§ 3. In afwijking van § 2 wordt een geavanceerd elektronisch zegel als elektronische handtekening gebruikt:
1° wanneer de verbalisant wettelijk niet gehouden is zich bij naam te identificeren in het proces-verbaal;
2° voor de processen-verbaal met betrekking tot de vaststellingen verricht in het kader van artikelen 62 en 65, § 1, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
3° voor bepaalde categorieën processen-verbaal met betrekking tot bepaalde strafbare feiten die, afhankelijk van de aard van de feiten en omstandigheden van de zaak, niet of nog niet worden vervolgd door het openbaar ministerie.

   Het College van procureurs-generaal bepaalt deze categorieën in een richtlijn.

   De processen-verbaal ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel worden gelijkgesteld met de processen-verbaal ondertekend met behulp van een handgeschreven handtekening.

   De Koning bepaalt de veiligheidsmaatregelen en de minimale technische normen waaraan politie-informaticasystemen moeten voldoen die het geavanceerd elektronisch zegel produceren, evenals de vermeldingen die voorkomen in het geavanceerd elektronisch zegel en in de gekwalificeerde elektronische handtekening.

§ 4. Er wordt een systeem voor het beheer van de toegangen tot de systemen voor de verwerking van de processen-verbaal ingevoerd om te verzekeren dat alleen de gemachtigde personen na authenticatie beschikken over een toegang of een schrijfrecht in deze systemen.

   De systemen voor de verwerking van de processen-verbaal maken het voorwerp uit van veiligheidsmaatregelen die de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van deze systemen en van de gegevens van de processen-verbaal verzekeren.

   De elektronische of handmatige doorgifte van de processen-verbaal moet worden beveiligd volgens de regels van de kunst.

§ 5. De voorkeur gaat uit naar de elektronische doorgifte van de gedematerialiseerde processen-verbaal aan de bevoegde gerechtelijke overheid.

   De minister van Justitie en het College van procureurs-generaal bepalen door middel van een gemeenschappelijke richtlijn de nadere regels van deze elektronische doorgifte en de datum waarop de doorgifte van de elektronisch ondertekende processen-verbaal aanvang neemt. ]1

[2 § 6. De digitale kopieën en digitale uittreksels van processen-verbaal worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel. ]2

[3 § 7. De leden van het operationeel kader die op basis van de wet van 20 december 2022 betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie, gebruik maken van het meldingssysteem, worden van de in dit artikel bedoelde verplichtingen vrijgesteld. ]3

(1)<W 2018-05-25/02, art. 60, 039; Inwerkingtreding : 09-06-2018> (2)<W 2020-07-31/03, art. 92, 042; Inwerkingtreding : 17-08-2020> (3)<W 2022-12-08/09, art. 69, 046; Inwerkingtreding : 02-01-2023>
Afdeling 10. [1 - Identificatie en legitimatie ]1
Art. 41

[1 § 1. Alle [3 leden van het operationeel kader ]3 in functie dienen in alle omstandigheden te kunnen worden geïdentificeerd.

   Politieambtenaren en politieagenten in uniform dragen een naamplaatje dat op zichtbare en leesbare wijze is aangebracht op een welbepaalde plaats van hun uniform.

   Voor bepaalde interventies kunnen de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal of hun afgevaardigde evenwel beslissen het naamplaatje te vervangen door een interventienummer.

   De [3 leden van het operationeel kader ]3 die in burgerkledij tegenover een persoon optreden, of ten minste een van hen, dragen een armband die op zichtbare en leesbare wijze het interventienummer vermeldt waarvan zij houder zijn, behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten.

   Wanneer de persoon tegenover wie zij optreden hierom verzoekt, doen de [3 leden van het operationeel kader ]3 van hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn, behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten.

   Hetzelfde geldt wanneer [3 leden van het operationeel kader ]3 in uniform zich aanmelden aan de woning van een persoon.

   [2 Het in het derde lid bedoelde interventienummer bestaat uit vijf cijfers die afgeleid zijn van het identificatienummer van [3 het lid van het operationeel kader ]3. ]2

   De Koning legt de nadere regels vast die de identificatie, in alle omstandigheden, van de [3 leden van het operationeel kader ]3 mogelijk maken.

§ 2. Onverminderd artikel 47bis, § 1, 3, van het Wetboek van strafvordering, staat de naam van de [3 leden van het operationeel kader ]3 niet vermeld in de aanvankelijke voor die gelegenheid opgestelde processen-verbaal indien zij optreden onder een interventienummer met toepassing van § 1. ]1

(1)<W 2014-04-04/53, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (W 2016-04-21/06, art. 91)> (2)<W 2016-04-21/06, art. 12, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (3)<W 2017-11-12/07, art. 18, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Afdeling 11. [1 - Bijstand bij de uitvoering van de opdrachten en "sterke arm" ]1
Art. 42

[2 § 1. ]2 Wanneer hij in gevaar gebracht wordt bij het vervullen van zijn opdracht of wanneer personen in gevaar zijn, kan ieder [1 lid van het operationeel kader ]1 de hulp of bijstand vorderen van de ter plaatse aanwezige personen en in geval van absolute noodzaak kan hij eveneens de hulp of bijstand vorderen van enig ander nuttig persoon.

   De gevorderde hulp of bijstand mag de persoon die ze verleent niet in gevaar brengen.

[2 § 2. Een officier van gerechtelijke politie van de Cel Vermiste Personen van de federale politie kan, in het kader van zijn opdracht tot het verlenen van hulp aan personen in nood en de opsporing van personen van wie de verdwijning onrustwekkend is, en wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen bestaan dat de fysieke integriteit van de vermiste persoon in onmiddellijk gevaar is, gegevens met betrekking tot de elektronische communicatie betreffende de vermiste persoon opvorderen.

   Enkel de gegevens ter identificatie van de gebruiker of de abonnee en de communicatiemiddelen en met betrekking tot de toegang tot en de verbinding van de eindapparatuur met het netwerk en met de dienst en met betrekking tot de plaats van die apparatuur, inclusief het netwerkaansluitpunt, betreffende de vermiste persoon en bewaard gedurende de 48 uur voorafgaand aan de opvordering, worden meegedeeld.

   De vordering wordt via de officier van gerechtelijke politie bedoeld in het eerste lid, gericht aan:
- de operator van een elektronische communicatienetwerk; of
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronische communicatienetwerk informatie te verkrijgen, te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.

§ 3. De Cel Vermiste Personen stelt het Controleorgaan uiterlijk binnen 48 uur na de vordering in kennis van de vordering en de motivering ervan.

   Indien het Controleorgaan van oordeel is dat niet aan de voorwaarden voor de uitvoering van deze vordering is voldaan, beveelt zij, met opgave van redenen, dat de aldus verkregen gegevens niet mogen worden gebruikt en vernietigd moeten worden.

   Deze met redenen omklede beslissing wordt door het Controleorgaan zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de Cel Vermiste Personen. ]2

(1)<W 2017-11-12/07, art. 19, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018> (2)<W 2022-07-20/14, art. 28, 044; Inwerkingtreding : 18-08-2022>
Art. 43

Bij het vervullen van hun opdrachten verlenen de [1 leden van het operationeel kader ]1 elkaar te allen tijde wederzijdse bijstand en zorgen zij voor een doeltreffende samenwerking.

   (Lid 2 opgeheven ) <W 1998-11-17/33, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 01-03-1999>

   Bij onmiddellijk gevaar voor personen en indien zijn middelen ontoereikend blijken, kan ieder officier van bestuurlijke politie van een bepaalde politiedienst de bijstand vorderen van andere bevoegde [1 leden van het operationeel kader ]1.

   De gevorderde politiedienst brengt de overheid onder wiens gezag hij ressorteert hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 20, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 44

De politiediensten lenen de sterke arm wanneer zij daartoe wettelijk worden gevorderd.

   Zij kunnen eveneens worden belast met het betekenen en ten uitvoer leggen van gerechtelijke bevelen.

   Wanneer de politiediensten worden gevorderd om aan de officieren van gerechtelijke politie en aan de ministeriële ambtenaren de sterke arm te lenen, staan zij hen bij om hen te beschermen tegen gewelddaden en feitelijkheden die tegen hen kunnen worden gepleegd of om hen in staat te stellen de moeilijkheden weg te nemen waardoor zij zouden worden belet hun opdracht te vervullen.

Afdeling 12. [1 - Het informatiebeheer ]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene regels betreffende het informatiebeheer ]1
Art. 44/1

[1 § 1. In het kader van de uitoefening van hun opdrachten, bedoeld in [2 hoofdstuk III ]2, afdeling 1, [3 en overeenkomstig de doeleinden omschreven in artikel 27 van de wet gegevensbescherming ]3 kunnen de politiediensten informatie en persoonsgegevens verwerken voor zover deze laatste toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard zijn in het licht van de doeleinden van bestuurlijke en van gerechtelijke politie waarvoor ze verkregen worden en waarvoor ze later verwerkt worden.

§ 2. [3 Met het oog op het uitoefenen van hun opdrachten mogen de politiediensten de persoonsgegevens bedoeld in artikel 34 van de wet gegevensbescherming verwerken ter aanvulling of ondersteuning van de andere categorieën van gegevens zoals bedoeld in artikel 44/5.

   Naast de voorwaarde bedoeld in het eerste lid geldt het volgende:
1° de biometrische gegevens worden enkel verwerkt met het oog op het verzekeren van de ondubbelzinnige identificatie van de betrokken persoon als bedoeld in artikel 44/5, § 1, 2° tot en met 7 en § 3, 1° tot 6°. De biometrische gegevens van de personen, bedoeld in § 3, 7° tot en met 9°, en § 4 van artikel 44/5 worden uitsluitend verwerkt op basis van de toestemming van de betrokken persoon of wanneer zij duidelijk openbaar worden gemaakt door de betrokkene of om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen. Wanneer de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van de betrokken personen, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, waarschijnlijk een hoog risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen oplevert, raadpleegt de verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker het controleorgaan;
2° de gegevens betreffende gezondheid worden enkel verwerkt met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt, evenals het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie. Wanneer gezondheidsgegevens worden verwerkt, wordt vermeld of deze gegevens al dan niet afkomstig zijn van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. De verwerking van gezondheidsgegevens waarnaar in dit artikel wordt verwezen, heeft nooit als gevolg de betrokkenen te laten onderwerpen aan medische onderzoeken;
3° de verwerking van genetische gegevens betreft enkel het inwinnen van genetische gegevens en de registratie van administratieve vermeldingen verbonden aan het genetisch profiel, met uitsluiting van de vergelijking van genetische profielen of de identificatie van het DNA-codenummer en wordt uitgevoerd in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie en de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming.

   Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
1° de categorieën personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden aangewezen door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker, met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking van het Controleorgaan;
3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
4° er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de in artikel 44/5 bedoelde categorieën van personen;
5° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
6° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbe-scherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.

   De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien. ]3

§ 3. Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de gerechtelijke politie, stellen zij de bevoegde gerechtelijke overheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis.

§ 4. Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de bestuurlijke politie en die aanleiding kunnen geven tot beslissingen van bestuurlijke politie, stellen zij de bevoegde bestuurlijke politieoverheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis, behoudens wanneer dit de uitoefening van de strafvordering in het gedrang kan brengen, maar onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de bescherming van personen en van de openbare veiligheid of gezondheid. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2018-03-21/21, art. 25, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (3)<W 2019-05-22/17, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/2

[2 § 1. ]2 [1 Wanneer de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie vereist dat de politiediensten de persoonsgegevens en de informatie bedoeld in artikel 44/1 structureren zodat ze rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze verwerkt in een operationele politionele gegevensbank die behoort tot een van de in het tweede lid bedoelde categorieën van gegevensbanken volgens de eigen doelstellingen van elke categorie van gegevensbanken.

   De categorieën van operationele politionele gegevensbanken zijn :
1° de Algemene Nationale Gegevensbank, hierna "A.N.G." genoemd;
2° de basisgegevensbanken;
3° de bijzondere gegevensbanken.

   De in het eerste lid bedoelde doelstellingen worden respectievelijk nader bepaald in de artikelen 44/7, 44/11/2, § 1 en 44/11/3, § 2. ]1

[2 § 2. Wanneer de gezamenlijke uitoefening door alle of een deel van de overheden, organen, organismen, diensten, directies of de commissie bedoeld in artikel 44/11/3ter, elk binnen het kader van hun wettelijke bevoegdheden, van de opdrachten ter voorkoming en ter opvolging van het terrorisme in de zin van artikel 8, 1°, b) van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, of het extremisme in de zin van artikel 8, 1°, c) van dezelfde wet wanneer dat tot terrorisme kan leiden, vereist dat deze de persoonsgegevens en de informatie met betrekking tot deze opdrachten structureren zodat ze rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze persoonsgegevens en informatie verwerkt in een of meerdere gemeenschappelijke gegevensbanken.

   De voorwaarden van de oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbanken en van de verwerking van persoonsgegevens en informatie in deze gegevensbanken worden bepaald in artikel 44/11/3bis.

   Artikel 139, tweede lid, van het Strafwetboek is van toepassing op de gemeenschappelijke gegevensbanken. ]2

[3 § 3. Wanneer in de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie, technische hulpmiddelen worden gebruikt om automatisch persoonsgegevens en informatie van technische aard te verzamelen, zodanig gestructureerd dat zij rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze gegevens verwerkt in een technische gegevensbank.

   Een technische gegevensbank wordt gecreëerd ingevolge het gebruik van :
1° intelligente camera's voor de automatische nummerplaatherkenning;
2° intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.

   Onder intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning wordt verstaan elke intelligente software die het mogelijk maakt om automatisch de door camera's geregistreerde beelden te verwerken, om de nummerplaatgegevens eruit te halen op basis van bepaalde vooropgestelde criteria.

   Een technische gegevensbank kan zowel op lokaal als op nationaal niveau gecreëerd worden.

   De voorwaarden voor de oprichting van dit type van gegevensbank en de voorwaarden voor de verwerking van de persoonsgegevens en informatie die hierin worden bijgehouden worden verder bepaald in artikelen 44/11/3sexies tot 44/11/3decies. ]3

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2016-04-27/07, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (3)<W 2018-03-21/21, art. 26, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 2.
<Opgeheven bij W 2019-05-22/17, art. 5, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/3

[1 § 1. De verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze uitgevoerd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 gebeurt overeenkomstig [5 de wet gegevensbescherming ]5 en zonder afbreuk te doen aan de wet van 24 juni 1955 betreffende de archieven.

   Deze persoonsgegevens en de in artikel 44/2 bedoelde informatie staan in rechtstreeks verband met de finaliteit van de verwerking.

   [5 ... ]5

[3 § 1/1. [5 ... ]5 ]3

§ 2. [5 ... ]5 ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-03-26/03, art. 38, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2014> (3)<W 2016-04-27/07, art. 8, 035; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (4)<W 2018-03-21/21, art. 27, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (5)<W 2019-05-22/17, art. 6, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/4

[1 § 1. Voor de verwerking van persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze ingevoegd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 1° en 2°, is,voor wat betreft bestuurlijke politie, de verwerkingsverantwoordelijke de minister van Binnenlandse Zaken.

   Voor de verwerking van persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze ingevoegd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 1° en 2°, is, voor wat betreft gerechtelijke politie, de verwerkingsverantwoordelijke de minister van Justitie.

   Voor wat betreft de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 3°, zijn de verwerkingsverantwoordelijken de korpschefs, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal of de directeurs die de doeleinden van en de middelen voor deze bijzondere gegevensbanken hebben bepaald.

§ 2. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden en onverminderd de eigen bevoegdheden van de gerechtelijke overheden, bij dwingende richtlijn de maatregelen die nodig zijn om het beheer en de veiligheid, waaronder in het bijzonder de aspecten met betrekking tot de betrouwbaarheid, de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van de persoonsgegevens en de informatie die worden verwerkt in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, te verzekeren.

   De logbestanden worden op zijn minst voor de volgende verwerkingen in de in artikel 44/2 bedoelde gegevensbanken aangemaakt: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de mededeling, met inbegrip van de doorgiften, de archivering, de koppeling en de uitwissing.

   De logbestanden van de raadpleging en de mededeling laten toe om:
1° de beweegreden, de datum en het tijdstip van die verwerkingen vast te stellen;
2° vast te stellen welke categorieën van personen de persoonsgegevens hebben geraadpleegd alsook de persoon die die gegevens heeft geraadpleegd te identificeren;
3° vast te stellen welke systemen die gegevens hebben meegedeeld;
4° de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens vast te stellen en indien mogelijk de identiteit van de ontvangers van die gegevens.

   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Controleorgaan, andere types verwerkingen vastleggen waarvoor de logbestanden worden aangemaakt.

   Er worden gepaste maatregelen getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te beletten en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.

   De procedures voor de toegang tot de logbestanden waarborgen de noodzaak en de proportionaliteit van de toegang tot de logginggegevens om de in artikel 56, § 2, van de wet gegevensbescherming bedoelde doeleinden te bereiken.

   Die procedures worden voor advies voorgelegd aan het Controleorgaan.

   De korpschefs voor de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs voor de federale politie staan borg voor de goede uitvoering van deze richtlijnen voor wat de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 3, betreft.

   De beheerder, aangewezen in rechte of in feite waarborgt de goede uitvoering van deze richtlijnen voor wat de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2, betreft.

§ 3. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden, bepalen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad de toegangsregels voor de leden van de politiediensten tot de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 3.

§ 4. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad de nadere regels betreffende de koppeling van de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 onderling of met andere gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden.

   Deze richtlijnen bepalen minstens op basis van de toereikende, terzake dienende en niet overmatige aard, de categorieën van gegevensbanken die onderling kunnen worden verbonden, de nadere regels betreffende de koppeling en de toegangsregels van de leden van de politiediensten betreffende het bestaan van relevante informatie in deze onderling gekoppelde gegevensbanken of, in voorkomend geval, betreffende de gegevens zelf, alsmede tot de daaruit voortvloeiende verwerkingen.

§ 5. De in de §§ 3 en 4 bedoelde profielen en nadere regels voor de toegang worden bepaald, onder andere op basis:
1° van de nood er kennis van te nemen, met inbegrip van de noodzaak de verwerkte gegevens te kruisen of te coördineren;
2° van de wettelijke doeleinden van elke gegevensbank;
3° van de verschillende categorieën van de in artikel 44/5 bedoelde personen;
4° van de evaluatie van de gegevens;
5° van de validatiestatus van de verwerkte gegevens.

   De in de §§ 3 en 4 bedoelde toegangen moeten, oorspronkelijk of standaard, zo ontworpen worden dat de geëvalueerde en gevalideerde gegevens duidelijk zichtbaar zijn en prioritair kunnen worden geëxploiteerd.

   De toegangsprofielen en de identificatie van personen die toegang hebben, worden ter beschikking gesteld van het Controleorgaan.

§ 6. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, de toereikende, terzake dienende en niet overmatige maatregelen met betrekking tot de koppeling of correlatie van de technische gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 3, met de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 2, of met andere gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden.

   Deze richtlijn houdt rekening met criteria inzake tijd, ruimte en frequentie van de koppelingen en correlaties. Zij wijst minstens de overheid aan die dit soort maatregelen toestaat, alsook de gegevensbanken die onderling kunnen worden verbonden. ]1

(1)<W 2019-05-22/17, art. 7, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Onderafdeling 3. [1 Categorieën van in de A.N.G. en in de basisgegevensbanken geregistreerde persoonsgegevens ]1
Art. 44/5

[1 § 1. De persoonsgegevens die voor doeleinden van bestuurlijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1 ]3, tweede lid, 1° en 2°, zijn :
1° de contactgegevens van de vertegenwoordigers van verenigingen die vrijwillig door laatstgenoemden worden meegedeeld of die openbaar beschikbaar zijn, om het beheer van gebeurtenissen mogelijk te maken;
2° de gegevens met betrekking tot de personen die betrokken zijn bij fenomenen van bestuurlijke politie waaronder verstaan wordt het geheel van problemen die de openbare orde verstoren en die gepaste maatregelen van bestuurlijke politie vereisen omdat zij van dezelfde aard en terugkerend zijn, door dezelfde personen gepleegd worden of gericht zijn op dezelfde categorieën van slachtoffers of plaatsen;
3° de gegevens met betrekking tot de leden van een nationale of internationale groepering die de openbare orde zoals bedoeld in artikel 14 zou kunnen verstoren;
4° de gegevens met betrekking tot de personen die schade kunnen toebrengen aan te beschermen personen of roerende en onroerende goederen en de gegevens met betrekking tot de personen die er het doelwit van kunnen uitmaken;
5° de gegevens met betrekking tot de in de artikelen 18 tot 21 bedoelde personen;
6° de gegevens met betrekking tot de personen die geregistreerd zijn inzake gerechtelijke politie voor een strafbaar feit dat gepleegd werd in het kader van de openbare ordehandhaving;
[4 7° de gegevens betreffende personen die het voorwerp uitmaken van een bestuurlijke maatregel genomen door een bevoegde bestuurlijke overheid en dewelke de politiediensten krachtens de wet, het decreet of de ordonnantie gelast zijn deze op te volgen. ]4

   De gegevens bedoeld in deze paragraaf omvatten eveneens de gegevens die verwerkt worden in het kader van de internationale politionele samenwerking in strafzaken.

§ 2. De lijst met de fenomenen bedoeld in § 1, 2° en de groeperingen bedoeld in § 1, 3°, wordt minstens jaarlijks uitgewerkt door de minister van Binnenlandse Zaken, op basis van een gezamenlijk voorstel van de federale politie, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

§ 3. De persoonsgegevens die voor doeleinden van gerechtelijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1 ]3, tweede lid, 1° en 2°, zijn :
1° de gegevens met betrekking tot de verdachten van een strafbaar feit en de veroordeelde personen;
2° de gegevens met betrekking tot de daders en verdachten van een door de politie vastgestelde administratief gesanctioneerde inbreuk;
3° de gegevens met betrekking tot de personen die op verdachte wijze overleden zijn;
4° de gegevens met betrekking tot de vermiste personen;
5° de gegevens met betrekking tot de ontsnapte personen of de personen die gepoogd hebben te ontsnappen;
6° de gegevens met betrekking tot de strafuitvoering en de strafuitvoeringsmodaliteiten;
7° de gegevens met betrekking tot de getuigen van een strafbaar feit;
[4 de gegevens met betrekking tot de personen bedoeld in de artikelen 47novies/1, § 1, 47decies, § 1, en 102, 1° tot 3°, van het Wetboek van strafvordering; ]4
[2 9° de gegevens met betrekking tot de slachtoffers van een strafbaar feit. ]2

§ 4. De persoonsgegevens die voor doeleinden van gerechtelijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1 ]3, tweede lid, 2°, zijn bovendien :
1° de gegevens met betrekking tot de personen die zich burgerlijke partij hebben gesteld of de benadeelde personen;
2° de gegevens met betrekking tot de burgerrechtelijk aansprakelijke personen van een strafbaar feit.

§ 5. De in §§ 3 en 4 bedoelde gegevens omvatten eveneens de gegevens die verwerkt worden in het kader van de internationale gerechtelijke en politionele samenwerking in strafzaken.

§ 6. Wanneer de politie ambtshalve, door de betrokken persoon of zijn advocaat, bij toepassing van artikel 646 van het Wetboek van strafvordering of op enige andere wijze, kennis heeft van het feit dat de gegevens [4 niet langer juist zijn of ]4 niet langer beantwoorden aan de voorwaarden om verwerkt te worden in het kader van de §§ 1, 3 of 4, worden deze gegevens bijgewerkt. ]1

[4 § 7. In specifieke omstandigheden kunnen de gegevens bedoeld in § 4 daarenboven verwerkt worden in de A.N.G. ]4

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-03-18/05, art. 12, 026; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard : 07-04-2017 (art. 57, eerste lid), wat betreft § 3, 9°> (3)<W 2016-04-27/07, art. 10, 035; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (4)<W 2019-05-22/17, art. 8, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Onderafdeling 4
<Opgeheven bij W 2019-05-22/17, art. 9, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/6

<Opgeheven bij W 2019-05-22/17, art. 9, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>

Onderafdeling 5. - [1 De A.N.G. ]1
Art. 44/7

[1 De A.N.G. is de politionele gegevensbank die de gegevens bedoeld in artikel 44/5 en de informatie bevat die voor het geheel van de politiediensten nodig zijn om hun opdrachten uit te oefenen en die het mogelijk maakt :
1° de personen bedoeld in artikel 44/5, §§ 1 en 3, te identificeren;
2° de personen die toegang hebben tot de A.N.G. te identificeren;
3° de politionele persoonsgegevens en informatie te coördineren en te kruisen;
4° de antecedenten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie op nationaal niveau te controleren;
5° de door de politiediensten uitgevoerde controles te ondersteunen door aan te geven welke maatregelen moeten genomen worden, hetzij op basis van een beslissing van de bevoegde overheden van bestuurlijke of van gerechtelijke politie, hetzij op basis van het bestaan van antecedenten van bestuurlijke of van gerechtelijke politie;
6° de bepaling en de uitwerking van het politie-en veiligheidsbeleid te ondersteunen.

   Wat de registratie in de A.N.G. betreft van de gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, 1°, met betrekking tot een minderjarige jonger dan 14 jaar, is de toestemming van de bevoegde magistraat vereist.

   De politiediensten zenden ambtshalve de in het eerste lid bedoelde gegevens en informatie aan de A.N.G. toe. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014>
Art. 44/8

[1 In afwijking van artikel 44/7, derde lid, wordt de verplichting tot voeding van de A.N.G. uitgesteld wanneer en zolang de bevoegde magistraat, met instemming van de federale procureur, meent dat deze voeding de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in het gedrang kan brengen. In voorkomend geval kan de federale procureur de regels voor deze afwijking bepalen.

   De federale procureur gaat op regelmatige tijdstippen de noodzaak tot behoud van het uitstel van de voeding van de A.N.G. na. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 17, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014>
Art. 44/9

[1 § 1. De persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, verwerkt in de A.N.G. voor doeleinden van bestuurlijke politie, worden gearchiveerd wanneer zij ontoereikend, niet ter zake dienend of overmatig van aard zijn, en in ieder geval :
1° voor de persoonsgegevens bedoeld in [3 artikel 44/5, § 1, 1° en 7° ]3, drie jaar vanaf de laatste registratie;
2° voor de persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, 2° tot 6°, vijf jaar vanaf de laatste registratie;
De gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, [3 2° tot 7° ]3, worden niet gearchiveerd zolang :
a) er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
b) de gegevens betreffende de betrokkene die in de A.N.G. verwerkt worden op basis van artikel 44/5, § 3, 1°, 2° of 6°, niet gearchiveerd werden met toepassing van § 2, a), 2°.

§ 2. De persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, verwerkt in de A.N.G. voor doeleinden van gerechtelijke politie, worden gearchiveerd wanneer zij ontoereikend, niet ter zake dienend of overmatig van aard zijn, en in ieder geval :
a) voor de in artikel 44/5, § 3, 1°, 2° en 6° [3 en § 4, 2° ]3, bedoelde personen :
1° een jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als overtreding gekwalificeerd feit betreft;
&bsp; 2° tien jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als wanbedrijf gekwalificeerd feit betreft, en dertig jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als misdaad gekwalificeerd feit betreft.

   Wanneer door dezelfde persoon een nieuw feit wordt gepleegd terwijl de archiveringstermijn van het vorige feit of van één van de vorige feiten nog niet bereikt is, wordt de regel van het eerste lid toegepast op elk gepleegd feit en vindt de archivering van de persoonsgegevens voor het geheel van de feiten plaats wanneer de termijnen voor alle feiten bereikt zijn.

   Wanneer een in artikel 44/5, § 3, 1°, 2° en 6°, bedoelde persoon die zich in de in het eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden bevindt, voor een periode van minstens 5 jaar het voorwerp uitmaakt van een effectieve gevangenisstraf, een terbeschikkingstelling van de regering of een internering, wordt de in het eerste lid, 2°, bedoelde bewaartermijn opgeschort ten belope van de duur van de straf of van de maatregel.

   De gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, worden niet gearchiveerd zolang :
- er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
- er een openstaand opsporings- of gerechtelijk onderzoek in de zin van de artikelen 28bis en 55 van het Wetboek van strafvordering is en waarvoor aan de politie onderzoeksopdrachten werden bevolen, zolang de politie niet ingelicht werd door de bevoegde magistraat over het eind van het genoemde opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.
b) voor de in artikel 44/5, § 3, 4°, bedoelde personen, vijf jaar vanaf het ogenblik waarop de persoon teruggevonden werd;
c) voor de in artikel 44/5, § 3, 5°, bedoelde personen, tien jaar vanaf het ogenblik waarop de persoon opnieuw [2 van zijn vrijheid benomen ]2 werd of vanaf de ontsnappingspoging;
d) voor de in artikel 44/5, § 3, 7° tot 9° [3 en § 4, 1° ]3, bedoelde personen, tien jaar vanaf de registratie van het laatste strafbaar feit waarvan zij getuige of slachtoffer zijn, met dien verstande dat de gegevens niet gearchiveerd worden zolang :
- er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
- er een openstaand opsporings- of gerechtelijk onderzoek in de zin van de artikelen 28bis en 55 van het Wetboek van strafvordering is en waarvoor aan de politie onderzoeksopdrachten werden bevolen, zolang de politie niet ingelicht werd door de bevoegde magistraat over het einde van het genoemde opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.

   De in artikel 44/5, § 3, 3°, bedoelde personen kunnen niet gearchiveerd worden zolang er een openstaand onderzoek is.

   In afwijking van eerste lid, a) tot d) worden de gegevens met betrekking tot de in artikel 44/5, § 3, 1° tot 9°, bedoelde personen in ieder geval gearchiveerd vijf jaar vanaf de registratie van de laatste informatie betreffende een strafbaar feit, wanneer dit niet gelokaliseerd is in de tijd of in de ruimte. ]1

[3 § 3. Alle uitgevoerde verwerkingen in de A.N.G. maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende dertig jaar vanaf de in de A.N.G. uitgevoerde verwerking. ]3

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 18, 026; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 07-04-2017 (art. 57, eerste lid)> (2)<W 2017-10-31/06, art. 23, 037; Inwerkingtreding : 29-11-2017> (3)<W 2019-05-22/17, art. 10, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/10

[1 § 1. De persoonsgegevens en informatie die in de A.N.G. worden verwerkt voor doeleinden van bestuurlijke of van gerechtelijke politie worden gedurende dertig jaar gearchiveerd.

   Na afloop van deze termijn, worden de persoonsgegevens en informatie gewist onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955.

   [2 Alle uitgevoerde verwerkingen in de archieven van de A.N.G. maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende dertig jaar vanaf de in de archieven van de A.N.G. uitgevoerde verwerking. ]2

§ 2. De archieven van de A.N.G. kunnen beperkt worden geraadpleegd voor de volgende doeleinden :
1° de kennisneming en de exploitatie van de antecedenten inzake bestuurlijke of gerechtelijke politie in het kader van een onderzoek met betrekking tot een misdaad;
2° de hulp, in het kader van onderzoeken, bij de identificatie op basis van de vingerafdrukken van de personen bedoeld in artikel 44/5, § 3, 1° ;
3° de ondersteuning bij het bepalen en het uitwerken van het politie- en veiligheidsbeleid;
4° op basis van een schriftelijke vraag van de minister van Binnenlandse Zaken, de verdediging van de politiediensten in rechte en de opvolging van de processen in herziening waarbij in de A.N.G. vervatte gegevens betrokken zijn.

   Het resultaat van de exploitatie van de archieven van de A.N.G. voor het in het eerste lid, 3° bedoelde doeleinde is geanonimiseerd. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2019-05-22/17, art. 11, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11

[1 § 1. De A.N.G. wordt ontwikkeld en beheerd door een directie [2 van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie ]2 van de federale politie.

   [2 ... ]2

   Deze directie wordt geleid door een directeur die wordt bijgestaan door een adjunct-directeur. Eén ervan is lid van de federale politie en de andere behoort tot de lokale politie.

   De Koning bepaalt de nadere regels van hun aanwijzing.

§ 2. De politieambtenaren belast met het beheer van de A.N.G. worden aangewezen door de Koning na advies van [3 het Controleorgaan ]3.

   Een benoeming, aanwijzing of herplaatsing wordt hen uitsluitend toegekend op initiatief of met het akkoord van de bevoegde minister en na advies van dit Controleorgaan. De nadere regels hiervan worden bepaald door de Koning.

   Een tuchtrechtelijke procedure ten aanzien van deze politieambtenaren voor feiten gepleegd tijdens de duur van hun aanwijzing kan slechts worden ingesteld met instemming of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken.

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 20, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-03-26/03, art. 40, 027; Inwerkingtreding : 01-10-2014> (3)<W 2019-05-22/17, art. 12, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/1

[1 Elk lid van de politiediensten dat, ofwel willens en wetens persoonsgegevens of informatie achterhoudt die van belang zijn voor de uitoefening van de strafvordering of persoonsgegevens of informatie van bestuurlijke politie die aanleiding kunnen geven tot het nemen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van personen, van de openbare veiligheid of van de openbare gezondheid achterhoudt, ofwel willens en wetens nalaat de A.N.G. te voeden overeenkomstig artikel 44/7, zal worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd euro of met één van die straffen alleen.

   De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op dit misdrijf. ]1

   [2 Dit artikel is niet van toepassing op de leden van de politiediensten die op basis van de wet van 20 december 2022 betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie gebruik maken van het meldingssysteem. ]2

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 21, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2022-12-08/09, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 02-01-2023>
Onderafdeling 6. - [1 Basisgegevensbanken ]1
Art. 44/11/2

[1 § 1. De basisgegevensbanken zijn de politionele gegevensbanken die opgericht worden ten behoeve van het geheel van de geïntegreerde politie en die tot doel hebben de opdrachten van bestuurlijke en van gerechtelijke politie uit te oefenen door de erin vervatte persoonsgegevens en informatie te exploiteren en door de bevoegde overheden te informeren over de uitoefening van deze opdrachten.

   Deze gegevensbanken worden ontwikkeld [4 en beheerd ]4 door de in artikel 44/11, § 1, eerste lid. bedoelde directie [3 van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie ]3 van de federale politie

   [3 ... ]3

§ 2. [4 De gegevens die betrekking hebben op de opdrachten van bestuurlijke politie zijn toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie ervan.

   De gegevens die betrekking hebben op de opdrachten van gerechtelijke politie zijn toegankelijk gedurende vijftien jaar vanaf de dag van de registratie ervan. ]4

§ 3. Na het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld [4 in § 2, tweede lid ]4, zijn de persoonsgegevens en de informatie die enkel betrekking hebben op de opdrachten van gerechtelijke politie raadpleegbaar :
1° gedurende een nieuwe termijn van vijftien jaar en dit uitsluitend op basis van het notitienummer van het proces-verbaal, het nummer van het informatierapport of het dossiernummer;
2° gedurende een nieuwe termijn van dertig jaar en dit uitsluitend in het kader van een onderzoek betreffende misdaden.

§ 4. In afwijking van [4 § 2, tweede lid ]4, en van § 3, zijn de gegevens en informatie betreffende de opdrachten van gerechtelijke politie met betrekking tot de niet-concrete feiten toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf hun registratie.

§ 5. In afwijking van [4 § 2, tweede lid ]4, en van § 3, zijn de in de basisgegevensbanken verwerkte gegevens en informatie die betrekking hebben op de in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalde misdrijven toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf de registratie ervan.

§ 6. De in de basisgegevensbanken betreffende het beheer van de onderzoeken verwerkte gegevens en informatie over de onderzoeken die gevoerd worden in het kader van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering of in het kader van een gerechtelijk onderzoek in de zin van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering waarvoor er aan de politie onderzoeksopdrachten bevolen werden, zijn beschikbaar gedurende dertig jaar vanaf het ogenblik dat het eind van het onderzoek door de bevoegde magistraat aan de politie meegedeeld wordt.

   In uitzonderlijke omstandigheden, kan de bevoegde procureur-generaal op met redenen omklede wijze beslissen dat bij het verstrijken van deze termijn, alle of een gedeelte van de onderzoeksgegevens die vervat zijn in een basisgegevensbank die betrekking heeft op de onderzoeken, bewaard dienen te blijven gedurende een nieuwe hernieuwbare periode van hoogstens tien jaar. ]2

§ 7. Onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955 worden de persoonsgegevens en de informatie gewist na het verstrijken van de in dit artikel bedoelde termijnen. ]1

[4 § 8. Alle uitgevoerde verwerkingen in de basisgegevensbanken maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende vijftien jaar vanaf de in de basisgegevensbanken uitgevoerde verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan, indien nodig, deze termijn verlengen met een maximale periode van vijftien jaar. ]4

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 23, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-03-18/05, art. 23, 026; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 07-04-2017 (art. 57, eerste lid)> (3)<W 2014-03-26/03, art. 41, 027; Inwerkingtreding : 01-10-2014> (4)<W 2019-05-22/17, art. 13, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Onderafdeling 7. [1 Bijzondere gegevensbanken ]1
Art. 44/11/3

[1 § 1. [4 In specifieke omstandigheden kunnen de korpschefs, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs, voor bijzondere behoeften, bijzondere gegevensbanken oprichten waarvoor ze de verwerkingsverantwoordelijke zijn, teneinde de erin vervatte gegevens verder te verwerken in het kader van de uitoefening van hun opdrachten en doeleinden van bestuurlijke en gerechtelijke politie.

   De categorieën van gegevens bedoeld in artikel 44/5 mogen eveneens verwerkt worden in de bijzondere gegevensbanken voor zover de verwerking toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard is. ]4

§ 2. De oprichting van een bijzondere gegevensbank wordt door minstens een van de volgende bijzondere behoeften verantwoord :
a) de noodzaak om persoonsgegevens en informatie te classificeren in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
b) de technische of functionele onmogelijkheid om de A.N.G. te voeden met alle of een gedeelte van de in deze gegevensbanken verwerkte persoonsgegevens en informatie;
c) het niet ter zake dienend of overmatige karakter van de centralisering van alle of een gedeelte van de persoonsgegevens of de informatie in de A.N.G., in het kader van de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie.

§ 3. [4 De verwerkingsverantwoordelijke duidt de opdrachten en doeleinden, die de creatie van een bijzondere gegevensbank verantwoorden, aan.

   Het Controleorgaan wordt, via het unieke register van de verwerkingsactiviteiten van de politiediensten bedoeld in artikel 145 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, actief op de hoogte gebracht van de aanmaak of van wijzigingen in dat register met betrekking tot een bijzondere gegevensbank. ]4

§ 4. [4 nverminderd de registratie of de archivering van de gegevens in overeenstemming met de artiklen 44/2, § 1, tweede lid, 1°, en 44/10, worden deze gegevens en de bijzondere gegevensbanken gewist van zodra de in § 1 bedoelde bijzondere behoeften verdwijnen.

   De logbestanden van de verwerkingen worden bewaard gedurende minimum tien jaar. De verwerkingsverantwoordelijke kan, indien nodig, bij een gemotiveerde beslissing en na evaluatie deze termijn verlengen met een maximale periode van twintig jaar. ]4

§ 5. [4 ... ]4 ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 25, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-03-26/03, art. 42, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2014> (3)<W 2016-04-27/07, art. 12, 035; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (4)<W 2019-05-22/17, art. 14, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Onderafdeling 7bis. - [1 De gemeenschappelijke gegevensbanken. ]1
Art. 44/11/3bis

[1 § 1. Voor de gezamenlijke uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel 44/2, § 2, kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie gezamenlijk gemeenschappelijke gegevensbanken oprichten waarvan zij de verantwoordelijken voor de verwerking worden.

§ 2. De oprichting van een gemeenschappelijke gegevensbank wordt gemotiveerd door een van de volgende doeleinden :
1° de strategische, tactische of operationele noodzaak om gezamenlijk persoonsgegevens en informatie te verwerken voor het uitoefenen van de respectievelijke bevoegdheden van de overheden, organen, organismen, diensten, directies of de commissie bedoeld in artikel 44/2, § 2;
2° de hulp bij het nemen van beslissingen door de bestuurlijke overheden of de overheden van bestuurlijke politie of van gerechtelijke politie.

§ 3. Voorafgaand aan haar oprichting, doen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie aangifte van de gemeenschappelijke gegevensbank alsook van de verwerkingsmodaliteiten, waaronder deze met betrekking tot de registratie van de gegevens en van de verschillende categorieën en types van persoonsgegevens en informatie die verwerkt worden bij het Comité en [2 het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2, die gezamenlijk een advies uitbrengen binnen de 30 dagen vanaf de ontvangst van de aangifte.

§ 4. De gemeenschappelijke gegevensbanken maken de verwerking van verschillende categorieën van persoonsgegevens mogelijk onder meer met betrekking tot personen, groeperingen, organisaties en fenomenen die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn in verhouding tot de opdrachten bedoeld in artikel 44/2, § 2, en de doeleinden bedoeld in § 2.

   Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank bepaalt, na advies van [2 het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2, een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de types van verwerkte persoonsgegevens, de regels op het gebied van de verantwoordelijkheden op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de organen, diensten, overheden en organismen die gegevens verwerken, de regels op het gebied van de veiligheid van de verwerkingen, de regels van het gebruik, de bewaring en de uitwissing van de gegevens.

§ 5. Onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955, worden de in de gemeenschappelijke gegevensbanken bewaarde persoonsgegevens uitgewist vanaf het ogenblik dat de doeleinden bedoeld in § 2 verdwijnen, en ten laatste 30 jaar na de laatste verwerking.

   Na de laatste verwerking wordt er minimaal om de drie jaar onderzocht of de persoonsgegevens nog steeds een rechtstreeks verband houden met een van de doeleinden van § 2. Indien dit niet het geval is, worden de gegevens uitgewist.

§ 6. Alle door de directies, diensten, organen, organismen, overheden of de commissie uitgevoerde verwerkingen in de gemeenschappelijke gegevensbanken maken het voorwerp uit van een oplijsting die bewaard wordt gedurende 30 jaar vanaf de in de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgevoerde verwerking.

§ 7. De persoonsgegevens en de informatie die uitgewist moeten worden, kunnen gearchiveerd worden gedurende een termijn van maximum 30 jaar.

   Na afloop van deze termijn, worden deze gegevens en informatie uitgewist onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955.

   De raadpleging van de archieven van een gemeenschappelijke gegevensbank mag slechts gebeuren in het kader van de volgende doeleinden :
1° de ondersteuning bij het bepalen en het uitwerken van het politie- en veiligheidsbeleid inzake terrorisme en extremisme dat tot terrorisme kan leiden;
2° de verwerking van de antecedenten in het kader van onderzoek met betrekking tot een terrorismemisdaad;
3° de verdediging in rechte van de overheden bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 2, 2°.

   Het resultaat van de exploitatie van de archieven van de gemeenschappelijke gegevensbank voor het in het eerste lid, 1°, bedoelde doeleinde is geanonimiseerd.

§ 8. Bijkomende nadere beheersregels van de gemeenschappelijke gegevensbanken kunnen bepaald worden door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2.

§ 9. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank wordt op gezamenlijk voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie door de Koning een beheerder aangewezen. Deze beheerder is belast met het technisch en functioneel beheer van de gemeenschappelijke gegevensbank.

   De beheerder verzekert minstens de volgende opdrachten :
- het creëren en het ter beschikking stellen van de gemeenschappelijke gegevensbank door een beroep te doen op de noodzakelijke technische middelen op basis van de mogelijkheden die voortvloeien uit de ICT-omgeving eigen aan zijn dienst;
- het beheren van de gemeenschappelijke gegevensbank en er het onderhoud van verzekeren;
- het in functionele regels vertalen van de door de ministers krachtens § 3 aangegeven nadere regels met betrekking tot de verwerking van de informatie;
- de technische normen bepalen en doen toepassen die noodzakelijk zijn voor de werking van de gemeenschappelijke gegevensbank;
- een advies op technisch en/of functioneel vlak verstrekken op vraag van de operationeel verantwoordelijke of van [2 de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/1 ]2;
- de rechten en de toegangen organiseren tot de in de gemeenschappelijke gegevensbank te voeren verwerkingen;
- een documentatie en een technische ondersteuning aanbieden;
- het zowel op technisch als op functioneel vlak beheren en behandelen van de rapportering van de veiligheidsincidenten.

§ 10. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank wordt op gezamenlijk voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie een operationeel verantwoordelijke door de Koning aangewezen. Deze verantwoordelijke is belast met het operationeel beheer van de gemeenschappelijke gegevensbank.

   De operationeel verantwoordelijke verzekert minstens de volgende opdrachten :
- het controleren van de kwaliteit van de in de gemeenschappelijke gegevensbank verwerkte gegevens en zich verzekeren van de relevantie ervan in verhouding tot de doeleinden waarvoor de gegevensbank opgericht werd;
- een coördinatiefunctie uitoefenen voor de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbank door de verschillende diensten;
- het organiseren van de passende samenwerking tussen de partnerdiensten met het oog op de verwezenlijking van de voorziene doeleinden;
- er op toe zien dat de exploitatie van de persoonsgegevens en de informatie beantwoordt aan de in § 2, beschreven doeleinden.

§ 11. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank, kunnen bijzondere opdrachten van de beheerder en van de operationeel verantwoordelijke bepaald worden door de Koning. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2016-04-27/07, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (2)<W 2019-05-22/17, art. 15, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/3ter

[1 § 1. Op basis van de behoefte om te kennen, zijn alle of een gedeelte van de persoonsgegevens en informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken rechtstreeks toegankelijk voor het Orgaan en de volgende diensten die belast zijn met bevoegdheden in de materies bedoeld in artikel 44/2, § 2 :
a) het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
b) de geïntegreerde politie;
c) de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

   [2 In het kader van de uitoefening van hun opdrachten bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 zijn het geheel of een deel van de persoonsgegevens en informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken rechtstreeks toegankelijk voor het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2. ]2

§ 2. Op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken meegedeeld worden aan of rechtstreeks toegankelijk zijn voor de volgende diensten of het voorwerp uitmaken van een rechtstreekse bevraging door deze diensten wanneer zij belast zijn met bevoegdheden in de domeinen die voorzien zijn in artikel 44/2, § 2 :
a) de Vaste Commissie voor de lokale politie;
b) de Algemene Directie Crisiscentrum;
c) de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de Federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
d) het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en de penitentiaire inrichtingen;
e) de Federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Directoraat-generaal Consulaire Zaken;
f) het Openbaar Ministerie;
g) de Cel voor Financiële Informatieverwerking;
h) de Dienst Vreemdelingenzaken;
i) de onderzoeks- en opsporingsdiensten van de Algemene Administratie der douane en accijnzen.

   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2, het type toegang en de nadere regels ervan voor de organen, overheden, directies of diensten bedoeld in het eerste lid.

§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2 andere Belgische openbare overheden, andere openbare organen of organismen of andere organen of organismen van openbaar nut aanwijzen die door de wet belast zijn met de toepassing van de strafwet of die wettelijke opdrachten van openbare veiligheid hebben, die, wanneer zij belast zijn met bevoegdheden in de domeinen die voorzien zijn in artikel 44/2, § 2, op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak een toegang kunnen hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken.

   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Comité en het Controleorgaan bedoeld in artikel 44/11/3quinquies/2 ]2, het type toegang en de nadere regels ervan voor de organen, overheden, directies of diensten bedoeld in het eerste lid.

   Bovendien wijzen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie gezamenlijk, op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak, de organen, overheden of organismen bedoeld in het eerste lid aan aan welke de uit de gemeenschappelijke gegevensbanken voortkomende persoonsgegevens en informatie kunnen meegedeeld worden.

   Deze organen, overheden of organismen worden bepaald in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 3.

§ 4. Het Orgaan en de diensten bedoeld in § 1 alsook de directies, diensten, organen, organismen, overheden of commissie bedoeld in §§ 2 en 3 die rechtstreeks toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken zenden ambtshalve de in artikel 44/2, § 2, bedoelde persoonsgegevens en informatie aan de gemeenschappelijke gegevensbanken toe. Deze persoongegevens en informatie worden onder hun verantwoordelijkheid en volgens hun interne validatieprocedures opgenomen in de gemeenschappelijke gegevensbanken overeenkomstig de nadere regels die worden bepaald door de Koning, na het advies bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 3 te hebben ontvangen.

   De persoonsgegevens en informatie ingevoerd in de gemeenschappelijke gegevensbanken worden onverwijld meegedeeld aan de korpschef van elke betrokken politiezone. Met naleving van de voorwaarden bepaald in en met toepassing van artikel 44/1, § 4, informeert hij de bevoegde bestuurlijke politieoverheden.

§ 5. In afwijking van § 4, wordt de verplichting tot voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgesteld wanneer en zolang de bevoegde magistraat, met instemming van de federale procureur, meent dat deze voeding de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in het gedrang kan brengen. In voorkomend geval kan de federale procureur de nadere regels voor deze afwijking bepalen. De federale procureur gaat op regelmatige tijdstippen de noodzaak tot behoud van het uitstel van de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken na.

   In afwijking van § 4, wordt de verplichting tot voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgesteld wanneer en zolang de leidinggevende van een inlichtingen- en veiligheidsdienst oordeelt dat de deze voeding de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen of wanneer de informatie afkomstig is van een buitenlandse dienst die uitdrukkelijk gevraagd heeft deze niet aan andere diensten toe te zenden. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2016-04-27/07, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 19-05-2016> (2)<W 2019-05-22/17, art. 16, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/3quater

[1 Met als doel het voorkomen en het bestrijden van het terrorisme en het extremisme dat tot terrorisme kan leiden, te versterken, kunnen de van een gemeenschappelijke gegevensbank afkomstige persoonsgegevens en informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na evaluatie door de beheerder, de operationeel verantwoordelijke, het Orgaan en de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, meegedeeld worden aan een derde overheid of een derde eenheid. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2016-04-27/07, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 19-05-2016>
Art. 44/11/3quinquies

[1 Voor de doeleinden bedoeld in artikel 44/2, § 2, en onverminderd de internationale rechtsregels die België verbinden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken in overeenstemming met artikel 44/11/13 meegedeeld worden aan buitenlandse politiediensten, aan de internationale organisaties voor gerechtelijke en politionele samenwerking en aan de internationale rechtshandhavingdiensten.

   Voor de doeleinden bedoeld in artikel 44/2, § 2, en onverminderd de internationale rechtsregels die België verbinden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken in overeenstemming met de artikelen 21 en 22 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, meegedeeld worden aan de buitenlandse inlichtingendiensten en aan de organen die belast zijn met de analyse van de dreiging of hun gelijken.

   De Koning bepaalt de nadere regels van de mededeling bedoeld in het eerste en het tweede lid. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2016-04-27/07, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 19-05-2016>
Art. 44/11/3quinquies/1.

[1 Een functionaris voor gegevensbescherming wordt gezamenlijk door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie aangewezen voor de persoonsgegevens en de informatie die verwerkt worden in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2.

   Aanvullend op de in de wet gegevensbescherming voorziene opdrachten wordt de functionaris voor gegevensbescherming belast met de volgende opdrachten:
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake informatieveiligheid, inzake bescherming van gegevens en informatie en inzake hun verwerking en in het bijzonder waakt hij over de eerbiediging van de algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking met betrekking tot verwerkingen van persoonsgegevens;
2° het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake beveiliging en bescherming van gegevens;
3° het uitvoeren van andere opdrachten inzake bescherming van gegevens en de beveiliging die bepaald worden door de Koning of die hem door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie worden toevertrouwd.

   Hij oefent zijn functie uit, volledig onafhankelijk van de overheden, organen, instellingen, diensten en directies bedoeld in artikel 44/11/3ter. Hij brengt rechtstreeks verslag uit bij de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-22/17, art. 17, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/3quinquies/2.

[1 Met eerbied voor de uitoefening van hun respectievelijke bevoegdheden, wordt de controle op de verwerking van de in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2, vervatte informatie en persoonsgegevens gezamenlijk verzekerd door:
1° het Controleorgaan;
2° het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bedoeld in artikel 28 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

   Zij kunnen op elk moment de aanbevelingen uitvaardigen die zij noodzakelijk achten voor de in de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgevoerde verwerkingen. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-22/17, art. 18, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Onderafdeling 7ter. [1 - Technische gegevensbanken ]1
Art. 44/11/3sexies

[1 § 1. Voor de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, gezamenlijk indien het gaat om middelen gewijd aan de verwezenlijking van doeleinden van bestuurlijke en gerechtelijke politie, of elk afzonderlijk indien het gaat om exclusieve doeleinden, technische gegevensbanken creëren zoals bedoeld in artikel 44/2, § 3, waarvan zij de verantwoordelijke(n) voor de verwerking worden.

   Voor de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie kan de korpschef van een lokale politiezone technische gegevensbanken zoals bedoeld in artikel 44/2, § 3, creëren, waarvan hij de verantwoordelijke voor de verwerking wordt.

§ 2. De in de lokale technische gegevensbanken vervatte persoonsgegevens en informatie worden doorgezonden aan de overeenstemmende nationale technische gegevensbank. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 31, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 44/11/3septies

[1 De opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie die het gebruik van een technische gegevensbank rechtvaardigen, zijn de volgende :
1° de hulp bij de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie betreffende :
a) het opsporen en de vervolging van wanbedrijven en misdaden, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen;
b) de inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer, met toepassing van artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
c) het opsporen van personen van wie de verdwijning onrustwekkend is, wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen bestaan dat de fysieke integriteit van de vermiste persoon in onmiddellijk gevaar is;
2° de hulp bij de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie voor de categorieën van personen bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, [2 2° tot 5° en 7° ]2 ; wat artikel 44/5, § 1, eerste lid, 5°, betreft, kan dat alleen betrekking hebben op de categorieën van personen bedoeld in de artikelen 18, 19 en 20. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 32, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (2)<W 2019-05-22/17, art. 19, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/3octies

[1 De verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 44/11/3sexies, legt, voorafgaand aan de oprichting ervan, het ontwerp van oprichting van de technische gegevensbank, haar doeleinden en haar verwerkingsmodaliteiten voor advies voor aan de functionaris voor gegevensbescherming.

   Deze adviesaanvraag wordt vergezeld door een impact- en risicoanalyse op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op operationeel niveau, met name wat de categorieën van verwerkte persoonsgegevens betreft, de proportionaliteit van de aangewende middelen, de te bereiken operationele doelstellingen en de bewaartermijn van de gegevens die nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

   De functionaris voor gegevensbescherming verstrekt een advies binnen de dertig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.

   In het geval waarin de functionaris voor gegevensbescherming aanbevelingen uitvaardigt met betrekking tot de technische gegevensbank en de verantwoordelijke voor de verwerking geen gevolg geeft aan deze aanbevelingen, zendt de functionaris voor gegevensbescherming zijn analyse over aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 33, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 44/11/3novies

[1 Alle verwerkingen die in de technische gegevensbanken werden uitgevoerd, worden opgenomen in een logging die gedurende tien jaar vanaf de verwerking in de technische gegevensbanken wordt bewaard. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 34, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 44/11/3decies

[1 § 1. De technische gegevensbanken die werden gecreëerd naar aanleiding van het gebruik van intelligente camera's voor de automatische nummerplaatherkenning of van intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning bevatten de volgende gegevens, indien zij verschijnen op de beelden van de camera's :
1° de datum, het tijdstip en de precieze plaats van langsrijden van de nummerplaat,
2° de kenmerken van het voertuig dat verbonden is aan deze nummerplaat,
3° een foto van de nummerplaat aan de voorkant van het voertuig en in voorkomend geval, aan de achterkant,
4° een foto van het voertuig,
5° in voorkomend geval, een foto van de bestuurder en van de passagiers,
6° de logginggegevens van de verwerkingen.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde persoonsgegevens en informatie kunnen worden bewaard voor een duur van niet meer dan twaalf maanden, te rekenen vanaf de registratie ervan.

   Zodra deze gegevens voldoen aan de voorwaarden om een gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 § 1, 1° en 2°, te voeden, worden zij hierin gekopieerd en bewaard, na manuele validatie binnen een termijn van één maand nadat deze voorwaarden zijn voldaan.

§ 3. De verwerking van de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1, voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van bestuurlijke politie, met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, is toegestaan gedurende een periode van één maand te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat zij gemotiveerd wordt op operationeel vlak en noodzakelijk voor de uitoefening van een precieze opdracht. De beslissing wordt genomen door een directeur of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij door de korpschef of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een politiezone.

   De verwerking van de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van gerechtelijke politie, met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, is toegestaan gedurende de hele bewaringsperiode van de gegevens, op voorwaarde dat deze gemotiveerd wordt op operationeel vlak en noodzakelijk voor de uitoefening van een precieze opdracht. De beslissing wordt genomen door een directeur of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij door de korpschef of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een politiezone, hetzij door de procureur des Konings. Na de eerste maand van bewaring, wordt de beslissing genomen door de procureur des Konings en ze kan enkel betrekking hebben op strafbare feiten die een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.

§ 4. Met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, kunnen de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 in correlatie worden gebracht met :
1° lijsten waartoe de politiediensten wettelijk toegang hebben of uittreksels van nationale of internationale politionele gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden;
2° vooraf bepaalde beoordelingscriteria.

   De inhoud van de lijsten of de uittreksels van de gegevensbanken bedoeld in het eerste lid, 1°, die gebruikt worden voor een correlatie, is onderworpen aan de toelating van :
1° voor de opdrachten van bestuurlijke politie : hetzij een directeur of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij de korpschef of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een politiezone;
2° voor de opdrachten van gerechtelijke politie : hetzij een directeur of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij de korpschef of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een politiezone, hetzij door de procureur des Konings.

   De beoordelingscriteria bedoeld in het eerste lid, 2°, worden opgesteld na goedkeuring van de functionaris voor gegevensbescherming, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn. Zij mogen niet gebaseerd zijn op gegevens die de raciale of etnische oorsprong van een persoon, zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, zijn politieke opvattingen, zijn vakbondslidmaatschap, zijn gezondheidstoestand, zijn seksleven of zijn seksuele geaardheid onthullen.

   De lijsten of uittreksels van gegevensbanken of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria die in correlatie moeten worden gebracht met de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 kunnen worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning, of na registratie van de gegevens.

   Wanneer de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt gerealiseerd in het kader van de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie, kan het slechts plaatsvinden :
1° in real time of tijdens een periode van één maand te rekenen vanaf de registratie van de gegevens;
2° na kennisgeving aan het Controleorgaan, wanneer het gaat om een correlatie met lijsten of uittreksels van gegevensbanken bedoeld in het eerste lid, 1°.

   Wanneer de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt gerealiseerd in het kader van de uitoefening van de opdrachten van gerechtelijke politie, kan het plaatsvinden in real time of tijdens de hele bewaringsduur van de gegevens. Na de eerste bewaarmaand, kan het slechts plaatsvinden mits toestemming van de procureur des Konings en het kan enkel betrekking hebben op strafbare feiten die een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 35, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 8. [1 De mededeling van gegevens en de toegang tot de A.N.G. ]1
Art. 44/11/4

[1 § 1. Onder "mededeling van gegevens en informatie" wordt verstaan, het doorzenden, met welk middel ook, van persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/1, met inbegrip van deze vervat in de in artikel 44/2 bedoelde gegevensbanken.

§ 2. Onder "rechtstreekse toegang" wordt een geautomatiseerde verbinding met de A.N.G. verstaan die het mogelijk maakt toegang te hebben tot de erin vervatte gegevens.

§ 3. Onder "rechtstreekse bevraging" wordt een beperkte rechtstreekse toegang tot alle of een gedeelte van de volgende gegevens verstaan :
a) het bestaan van gegevens over een persoon met toepassing van de artikelen 44/5, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, en § 3, 1° tot 9° ;
b) de door de politie weerhouden kwalificatie betreffende de feiten waarvoor de persoon geregistreerd werd;
c) de noodzakelijke gegevens om meer informatie te bekomen vanwege de bevoegde overheid;
d) de gegevens met betrekking tot de te nemen maatregelen voor de in punt a) bedoelde personen. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014>
Art. 44/11/5

[1 § 1. De mededeling, de rechtstreekse toegang en de rechtstreekse bevraging gebeuren onverminderd de artikelen 44/1, §§ 3 en 4 en 44/8.

§ 2. De Koning kan de algemene nadere regels bepalen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen en de duur van de bewaring van de gegevens en informatie die verkregen werden of waar een toegang toe verschaft werd met toepassing van deze onderafdeling. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 28, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014>
Art. 44/11/6

[1 De in artikelen 44/11/7, 44/11/10 en 44/11/13 bedoelde overzending van gerechtelijke informatie wordt onderworpen aan de toelating van de bevoegde gerechtelijke overheid [2 behalve de in de in hoofdstuk I/1 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, bedoelde gevallen ]2 . ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 29, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2014-05-15/69, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 17-08-2014>
Art. 44/11/7

[1 De persoonsgegevens en informatie worden meegedeeld aan de bevoegde gerechtelijke overheden of overheden van bestuurlijke politie om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen. ]1

&sp; (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 30, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014>
Art. 44/11/8

[1 De persoonsgegevens en de informatie kunnen ook worden meegedeeld aan het Vast Comité P en aan de Dienst Enquêtes ervan, aan het Vast Comité I en aan de Dienst Enquêtes ervan, aan het Controleorgaan [2 , aan de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie ]2 [3 ... ]3 om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 31, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2018-07-19/23, art. 6, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018> (3)<W 2019-05-22/17, art. 20, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/8bis.

[1 Overeenkomstig de nadere regels vastgelegd in de richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, elk in het kader van hun bevoegdheden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie ook worden meegedeeld aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en aan de veiligheidsdiensten, onverminderd artikel 14 van de organieke wet van 30 november 1998 betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.

   De nadere regels voor mededeling aan de politie van de gegevens van de veiligheidsdiensten zijn bepaald in een juridisch instrument waarvan de datum van inwerkingtreding simultaan is aan die van de rechtstreekse toegang van de inlichtingen en veiligheidsdiensten tot de A.N.G. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-22/17, art. 21, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/9

[1 § 1. Om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen, kunnen de persoonsgegevens en de informatie, volgens de bij richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, elk binnen het kader van zijn bevoegdheden, bepaalde nadere regels ook meegedeeld worden aan de volgende organen en diensten :
[3 1° de Cel voor financiële informatieverwerking;
2° de Dienst Vreemdelingenzaken;
3° de onderzoeks- en opsporingsdiensten en de administratie toezicht, controle en vaststellingen van de Algemene Administratie der douane en accijnzen. ]3

§ 2. [3 Overeenkomstig de nadere regels vastgelegd in de richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, elk in het kader van hun bevoegdheden, kunnen ze eveneens meegedeeld worden aan de Belgische openbare overheden, publieke organen of instellingen of instellingen van openbaar nut die door de wet belast zijn met de toepassing van de strafwet of die wettelijke verplichtingen inzake de openbare veiligheid hebben, wanneer deze ze nodig hebben voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten.

   De lijst van deze overheden, organen of instellingen wordt vastgesteld door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op basis van een voorstel van het Comité Informatie en ICT bedoeld in artikel 8sexies van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Het advies van het Controleorgaan met betrekking tot dit voorstel wordt gevraagd. ]3

§ 3. De herhaalde of volumineuze mededeling van persoonsgegevens of informatie maakt het voorwerp uit van een protocolakkoord tussen de diensten, organisaties, instellingen of overheden die bestemmeling zijn van deze gegevens of informatie en de [3 verwerkingsverantwoordelijke ]3.

   Dit protocol heeft minstens betrekking op de veiligheidsmaatregelen in verband met deze mededeling en op de duur van de bewaring van deze gegevens en informatie.

§ 4. Onverminderd de op hen van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en zonder dat dit de uitoefening van hun opdrachten in gevaar zou kunnen brengen, delen de in §§ 1 en 2 bedoelde overheden, diensten, organen, organisaties of instellingen aan de politiediensten de gegevens en informatie mee die zij in het kader van hun opdrachten verwerken en die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn in het licht van het waarborgen van de uitoefening van de politieopdrachten.

   De nadere regels betreffende deze mededeling worden nader bepaald in een door de betrokken ministers goedgekeurd protocolakkoord. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 32, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2016-04-21/06, art. 13, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (3)<W 2019-05-22/17, art. 22, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/10

[1 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan ]2, aan welke instellingen of personen de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het vervullen van de hen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie toevertrouwde opdrachten van openbaar nut die aan wetenschappelijk onderzoek verbonden zijn, kunnen meegedeeld worden. Hij bepaalt tevens de nadere regels van deze mededeling. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2019-05-22/17, art. 23, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/11

[1 Onverminderd artikel 13, § 3 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan ]2, de persoonsgegevens en informatie die kunnen meegedeeld worden aan Bpost met het oog op de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen evenals de nadere regels van deze mededeling. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 34, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2019-05-22/17, art. 23, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/12

[1 § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [3 het Controleorgaan ]3 :
1° de nadere regels van de rechtstreekse toegang tot de in de A.N.G. vervatte persoonsgegevens en informatie voor de overheden bedoeld [3 in artikelen 44/11/7, 44/11/8 en 44/11/8bis ]3 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
2° de nadere regels van de rechtstreekse bevraging van de A.N.G. voor de overheden bedoeld in artikel 44/11/9 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten.

§ 2. De nadere regels van de rechtstreekse bevraging of van de rechtstreekse toegang, bedoeld in dit artikel hebben minstens betrekking op :
a) de behoefte om te kennen;
b) de categorieën van personeelsleden die op basis van de uitoefening van hun opdrachten over een rechtstreekse toegang beschikken of over een mogelijkheid beschikken om de A.N.G. rechtstreeks te bevragen;
c) de geautomatiseerde verwerkingen die uitgevoerd worden op basis van de gegevens en informatie van de A.N.G.;
d) de verplichting tot naleving van het beroepsgeheim door alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks kennis nemen van de gegevens en informatie van de A.N.G.;
e) de veiligheidsmaatregelen, waaronder :
1° de beveiliging van de gebouwen en netwerken;
2° de verplichting om alle transacties op te lijsten en deze opgelijste gegevens gedurende minimaal tien jaar te bewaren;
f) de verplichting om voorafgaand aan het verkrijgen van de rechtstreekse toegang of het recht op rechtstreekse bevraging een opleiding te volgen; ]1
[2 g) de evaluatie van de betrouwbaarheid, de omgeving en de antecedenten van de personeelsleden bedoeld in punt b). ]2

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 35, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2016-04-21/06, art. 14, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (3)<W 2019-05-22/17, art. 24, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/13

[1 § 1. De persoonsgegevens en informatie kunnen meegedeeld worden aan de buitenlandse politiediensten, aan de internationale organisaties voor gerechtelijke en politionele samenwerking en aan de internationale rechtshandhavingdiensten onder de voorwaarden bepaald in een internationale rechtsregel die België verbindt of bedoeld in [2 de bepalingen van Titel 2, Hoofdstuk V van de wet gegevensbescherming ]2. Wat de politiediensten van de lidstaten van de Europese Unie en Interpol betreft, kunnen de persoonsgegevens en informatie tevens meegedeeld worden onder de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de in Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan ]2, bepaalde voorwaarden.

§ 2. De herhaalde of volumineuze mededeling van persoonsgegevens of informatie aan een in § 1 bedoelde dienst of organisatie is enkel mogelijk onder de voorwaarden die bepaald worden in een internationale rechtsregel die België verbindt of, wat de diensten en organisaties van de Europese Unie of van een van zijn lidstaten en wat Interpol betreft, onder de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de in Ministerraad, bepaalde voorwaarden.

§ 3. Wanneer een overeenkomstig § 1 meegedeeld gegeven niet meer correct blijkt, stellen de politiediensten de bestemmeling op de hoogte en stellen zij alles in het werk om de rechtzetting te bewerkstelligen.

§ 4. Een rechtstreekse toegang tot alle of een gedeelte van de gegevens en informatie van de A.N.G. of een rechtstreekse bevraging van alle of een gedeelte van deze gegevens en informatie wordt enkel toegekend aan een in § 1 bedoelde dienst of organisatie onder de voorwaarden bepaald door een internationale rechtsregel die België verbindt.

§ 5. Dit artikel is van toepassing onverminderd de regels die van toepassing zijn op de gerechtelijke samenwerking in strafzaken. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-03-18/05, art. 36, 026; Inwerkingtreding : 07-04-2014> (2)<W 2019-05-22/17, art. 25, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Art. 44/11/14.

[1 Voor de toepassing van afdeling 12 betreffende het informatiebeheer, omvat de notie van politiediensten alle leden van het personeel van de politiediensten, inclusief de leden van het administratief en logistiek kader in de zin van artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2020-07-31/15, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 24-08-2020>
Afdeling 13. [1 - De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de agenten van politie worden vervuld ]1
Art. 44/12

<Ingevoegd bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> In geval van noodzaak, verlenen de agenten van politie bijstand aan de politieambtenaren, wanneer zij daartoe worden verzocht.

Art. 44/13

[1 In het raam van de bijstand voorzien in artikel 44/12 :
1° voeren de agenten van politie, op bevel en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de doorzoeking van gebouwen en vervoermiddelen bedoeld in artikel 27 en de veiligheidsfouillering en gerechtelijke fouillering bedoeld in artikel 28, uit;
2° verzekeren de agenten van politie, op bevel en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de bewaking van de personen die van hun vrijheid zijn beroofd in uitvoering van de artikelen 15, 1° en 2°, 31 en 34. ]1

(1)<W 2016-04-21/06, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)>
Art. 44/14

<Ingevoegd bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> De in de artikelen 44/12 en 44/13, 1°, bedoelde bijstand wordt, onder de verantwoordelijkheid van de politieambtenaar aan wie de bijstand wordt verleend of van de officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie die er het bevel toe heeft gegeven, door de agenten van politie verleend met naleving van de voorwaarden waaraan deze wet de uitvoering van de opdrachten van een politieambtenaar onderwerpt, in het bijzonder die welke bepaald zijn in de [1 artikelen 1, 37, 37bis en 38 ]1 wanneer de verleende bijstand een beroep op dwang noodzaakt.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 21, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 44/15

<Ingevoegd bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> De agenten van politie kunnen, tot de tussenkomst van een politieambtenaar die zij onmiddellijk op de hoogte brengen, de persoon die een misdaad of een wanbedrijf pleegt of zopas heeft gepleegd, ophouden. Zij kunnen, in dezelfde omstandigheden, een persoon ophouden die wordt vervolgd door het openbaar geroep.

   In dezelfde gevallen kunnen de agenten van politie overgaan tot een veiligheidsfouillering overeenkomstig de nadere regels bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid, wanneer er, omwille van zijn gedraging, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te geloven dat de opgehouden persoon wapens of voorwerpen bij zich heeft die gevaarlijk zijn voor de openbare orde.

   In dezelfde gevallen kunnen zij het voertuig of het transportmiddel waarvan de in het eerste lid bedoelde persoon vermoedelijk gebruik heeft gemaakt, ophouden tot de tussenkomst van een politieambtenaar die het vervolgens, onder de voorwaarden van artikel 29, kan doorzoeken wanneer zij, op grond van materiële aanwijzingen, redelijke grond hebben om te geloven dat dit voertuig of dit vervoermiddel gediend heeft om de inbreuk te plegen of om er voor de openbare orde gevaarlijke voorwerpen, bewijsmateriaal of bewijsstukken van de inbreuk in onder te brengen.

   De agenten van politie mogen, indien de politiemaatregelen bedoeld in de leden 1 tot 3 het vereisen, beroep doen op dwang onder de voorwaarden bepaald in de [1 artikelen 1, 37, 37bis en 38 ]17.

(1)<W 2017-11-12/07, art. 22, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Afdeling 14. [1 De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de beveiligingsassistenten en -agenten van politie worden vervuld ]1
Art. 44/16

[1 Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren en de toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, zijn de beveiligingsassistenten en -agenten van politie belast met de uitvoering van de volgende opdrachten :
1° de in artikel 23 bedoelde opdrachten;
2° de uitvoering van de volgende beveiligingsopdrachten :
- beveiliging van de koninklijke paleizen;
- beveiliging van de instellingen van de SHAPE en de NAVO;
- beveiliging van de internationale en Europese instellingen;
- beveiliging van de nationale en internationale overheidsgebouwen;
- beveiliging van de kritieke infrastructuren;
- beveiliging van de nucleaire sites;
- beveiliging van de infrastructuren van de luchthaven Brussel-Nationaal;
3° op subsidiaire en punctuele wijze, de beveiliging van de politionele operaties en de uitvoering van de in artikel 25, vierde lid, bedoelde begeleidingen met een supralokaal karakter. ]1

(1)<W 2017-11-12/07, art. 24, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 44/17

[1 In het kader van de uitvoering van de in deze afdeling bedoelde opdrachten worden de beveiligingsassistenten en -agenten van politie, voor de toepassing van de artikelen 26, eerste lid, 27, 28, 29, 31, 34 en 40 gelijkgesteld met politieambtenaren. ]1

(1)<W 2017-11-12/07, art. 24, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Afdeling 15. [1 - Territoriale bevoegdheid ]1
Art. 45

De (leden van het operationeel kader ) (van de federale politie en van de lokale politie ) zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het geheel van het grondgebied van het Rijk. <W 1998-12-07/31, art. 192, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>

   (De politieambtenaren van de lokale politie vervullen hun opdrachten in principe op het grondgebied van de politiezone. ) <W 1998-12-07/31, art. 192, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

Afdeling 16. [1 - Bijstand. ]1
Art. 46

De politiediensten brengen de personen die hulp of bijstand vragen in contact met gespecialiseerde diensten.

   Zij verlenen bijstand aan de slachtoffers van misdrijven, inzonderheid door hun de nodige informatie te verstrekken.

HOOFDSTUK IV/1. [1 - De specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten. ]1
Afdeling 1. [1 - Toezicht op het gebruik van de specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten ]1
Art. 46/1

[1 Het Controleorgaan [2 ... ]2, wordt belast met het toezicht op de in dit hoofdstuk bedoelde specifieke vormen en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten van de politiediensten. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 42, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (2)<W 2019-05-22/17, art. 26, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
Afdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's ]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen ]1
Art. 46/2

[1 Behalve wanneer deze afdeling expliciet een andersluidende bepaling bevat, zijn de regels bedoeld in de artikelen 25/1 tot 25/8 en de artikelen 44/1 tot 44/11/13 van toepassing op het niet-zichtbaar gebruik van camera's. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 45, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/3

[1 De camera's waarvan de modaliteiten voor plaatsing en gebruik door de politiediensten op niet-zichtbare wijze worden geregeld door een bijzondere wetgeving worden niet beoogd door deze afdeling. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 46, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's omwille van bijzondere omstandigheden ]1
Art. 46/4

[1 In afwijking van artikel 25/3, kunnen de tijdelijk vaste en mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, op niet-zichtbare wijze worden gebruikt in niet-besloten plaatsen en voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, mits voorafgaandelijke toestemming, indien de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren of van die aard zijn dat ze het zichtbaar gebruik van camera's ondoeltreffend maken, en wanneer het gaat om één van de volgende situaties :
1° de situaties bedoeld in artikel 22, tweede lid;
2° het inwinnen van informatie van bestuurlijke politie bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, 2° en 3°, voor zover het gaat om :
a) personen die geradicaliseerd zijn in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst;
b) personen waarvoor er gegronde en zeer ernstige aanwijzingen bestaan dat zij zich naar een gebied wensen te begeven waar terroristische groepen actief zijn, zoals gedefinieerd in artikel 139 van het Strafwetboek in zulke omstandigheden dat zij bij hun terugkeer in België een ernstige dreiging van terroristische misdrijven kunnen vertegenwoordigen, zoals gedefinieerd in artikel 137 van het Strafwetboek of dat deze personen buiten het nationale grondgebied terroristische misdrijven willen plegen, zoals gedefinieerd in artikel 137 van het Strafwetboek;
3° het gebruik op een vervoermiddel van de politie, dat niet als dusdanig herkenbaar is, voor het automatisch inlezen van nummerplaten, teneinde geseinde voertuigen op te sporen.
]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 48, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/5

[1 De in artikel 46/4 bedoelde voorafgaandelijke toestemming wordt gevraagd hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij aanwijst, wanneer de aanvragende dienst deel uitmaakt van de federale politie, hetzij aan de korpschef van de lokale politiezone, wanneer het gaat om een lokale politiezone.

   In de gevallen bedoeld in artikel 46/4, eerste lid, 1° en 3°, wordt de toestemming geval per geval gegeven voor het gebruik van een bepaald type, tijdelijk vaste of mobiele camera, voor specifieke doeleinden, en voor een beperkte duur. Indien hiermee tevens doeleinden van gerechtelijke politie gepaard gaan, is het voorafgaand bindend advies van de procureur des Konings vereist. De toestemming kan worden verlengd onder dezelfde voorwaarden.

   In het geval bedoeld in artikel 46/4, eerste lid, 2°, wordt de toestemming verleend, na voorafgaand bindend advies van de procureur des Konings en van de Veiligheid van de Staat, met betrekking tot het risico dat de maatregel kan hebben voor lopende onderzoeken. Deze toestemming wordt geval per geval, schriftelijk en gemotiveerd verleend voor het gebruik van een bepaald type tijdelijk vaste of mobiele camera, voor specifieke doeleinden, en voor een duur van niet langer dan een maand. De beslissing weerspiegelt in het bijzonder de naleving van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De toestemming kan worden verlengd onder dezelfde voorwaarden. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 49, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/6

[1 Elke toestemming en verlenging voor niet-zichtbaar gebruik van camera's in de gevallen bedoeld in artikel 46/4 wordt meegedeeld aan het Controleorgaan, behalve wanneer het gebruik van camera's wordt uitgevoerd onder het gezag van een magistraat.

   Indien het Controleorgaan oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing, de verlenging of de uitvoering van de maatregel, beveelt het op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt het dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.

   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen, hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 50, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 3. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's bij de voorbereiding van acties van gerechtelijke politie of bij de handhaving van de openbare orde tijdens deze acties ]1
Art. 46/7

[1 In afwijking van artikel 25/3, kan de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3 beslissen om op niet-zichtbare wijze gebruik te maken van tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, voor het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie die gedekt zijn door een mandaat van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter, teneinde het vlot verloop ervan te verzekeren, en om de openbare orde en de veiligheid van de betrokken politieambtenaren tijdens deze acties te garanderen, en dit meer bepaald in de gevallen waarin de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren of in de gevallen die van die aard zijn dat ze het zichtbaar gebruik van camera's ondoeltreffend maken. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 52, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/8

[1 De in artikel 46/7 bedoelde beslissing wordt meegedeeld aan de procureur des Konings of aan de onderzoeksrechter die het mandaat heeft geleverd voor de betrokken actie van gerechtelijke politie.

   Indien de procureur des Konings of de onderzoeksrechter bedoeld in het eerste lid oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing of de uitvoering van de maatregel, beveelt hij op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt hij dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.

   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen, hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 53, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 4. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen ]1
Art. 46/9

[1 In het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, waarbij de omstandigheden de politieambtenaren en de beschermingsassistenten niet in staat stellen zich te identificeren en de tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, zichtbaar te gebruiken, kan de in de artikelen 7 tot 7/3 bedoelde politieambtenaar, in afwijking van artikel 25/3, beslissen om deze camera's op niet-zichtbare wijze te gebruiken in niet-besloten plaatsen en voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, onder de volgende voorwaarden :
1° deze mogelijkheid heeft het voorwerp uitgemaakt van een principiële toestemming hetzij van de korpschef hetzij van de commissaris-generaal of het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij aanwijst, afhankelijk van of het om de lokale of federale politie gaat;
2° de persoon die het voorwerp uitmaakt van deze beschermingsmaatregel heeft dit niet geweigerd. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 55, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/10

[1 De in artikel 46/9 bedoelde beslissing wordt meegedeeld aan het Controleorgaan.

   Indien het Controleorgaan oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing of de uitvoering van de maatregel, beveelt het op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt het dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.

   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 56, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 5. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van het overbrengen van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 23 ]1
Art. 46/11

[1 In afwijking van artikel 25/3, in het kader van de uitvoering van opdrachten van overbrenging van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 23, waarbij de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren en op zichtbare wijze gebruik te maken van de tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, kan de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3 beslissen om deze camera's op niet-zichtbare wijze te gebruiken, op de niet-besloten plaatsen en de voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen om de veiligheid van de personen tijdens deze overbrenging te garanderen, op voorwaarde dat
1° deze mogelijkheid voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een gezamenlijke principiële machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie;
2° deze politieambtenaar deel uitmaakt van een dienst die gespecialiseerd is in de overbrenging van gevaarlijke gedetineerden, die gebanaliseerde voertuigen gebruikt om deze opdracht uit te voeren. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 58, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 6. [1 - Registratie, bewaring en toegang tot de persoonsgegevens en informatie, en het register ]1
Art. 46/12

[1 De informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van niet zichtbare camera's kunnen worden geregistreerd en bewaard voor een duur van niet meer dan twaalf maanden, te rekenen vanaf de registratie ervan tenzij in een andere termijn voorzien wordt in afdeling 12 van hoofdstuk IV.

   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en informatie die via niet-zichtbare camera's zijn verzameld krachtens artikel 46/7, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden vanaf de voorbereiding van de actie van gerechtelijke politie tot de afloop van die actie. De persoonsgegevens en informatie kunnen enkel langer worden bewaard en worden gebruikt om toevallig vastgestelde strafbare feiten te bewijzen of om de daders ervan te identificeren.

   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en informatie die via niet-zichtbare camera's zijn verzameld in het kader van de uitvoering van in artikel 46/9 bedoelde gespecialiseerde opdrachten ter bescherming van personen, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden voor de duur van de opdracht, behalve indien de persoon die het voorwerp uitmaakt van deze beschermingsmaatregel, dit weigert. De persoonsgegevens en informatie kunnen enkel langer worden bewaard en worden gebruikt bij toevallig vastgestelde strafbare feiten teneinde deze feiten te bewijzen of om de daders ervan te identificeren.

   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en de informatie die werden verzameld door middel van niet-zichtbare camera's, in het kader van de uitvoering van opdrachten van overbrenging van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 46/11, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden voor de duur van de opdracht. De persoonsgegevens en informatie kunnen uitsluitend voor een langere duur worden bewaard en gebruikt bij toevallig vastgestelde strafbare feiten, teneinde deze feiten te bewijzen of de daders ervan te identificeren. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 60, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/13

[1 De toegang tot de in artikel 46/12 bedoelde persoonsgegevens en informatie wordt toegelaten tijdens een periode van een maand, te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat het operationeel gemotiveerd is en dat het noodzakelijk is voor de uitoefening van een welbepaalde opdracht.

   Na de eerste bewaarmaand is de toegang tot die persoonsgegevens en informatie enkel voor doeleinden van gerechtelijke politie mogelijk mits een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter.

   De toegang tot deze persoonsgegevens en informatie is beveiligd en alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 61, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Art. 46/14

[1 Het in artikel 25/8 bedoelde register met een overzicht met alle gebruiken van camera's, bevat een onderdeel betreffende het niet-zichtbare gebruik van camera's. ]1

(1)<Ingevoegd bij W 2018-03-21/21, art. 62, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
HOOFDSTUK V. - Burgerlijke aansprakelijkheid en rechtshulp.
Art. 47

De Staat is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden ]2 (van de fedrale politie ) in de functies waarin hij hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   De Staat is eveneens aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de (verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet ) in de functies waarin hij hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (De Staat is eveneens aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden ]2 aangeduid bij de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, in de functies waarin hij hen heeft aangewezen, net als de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. ) <W 2007-05-15/43, art. 30, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>

   (De gemeente of desgevallend, de meergemeentezone is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden ]2 van de lokale politie in de functies waarin de Staat, de gemeente of de meergemeentezone hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden.

   De gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone kan verhaal nemen op de Staat voor de schade veroorzaakt door een [2 personeelslid ]2 van de lokale politie bij opdrachten die de Staat hem heeft toevertrouwd. <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   [1 De Koning bepaalt de bevoegde overheid betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid voor de [2 personeelsleden ]2 die door een andere dienst worden aangewend.

   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen de [2 personeelsleden ]2 door een andere dienst zoals bedoeld in het zesde lid worden aangewend. ]1

(1)<W 2013-12-21/22, art. 17, 025; Inwerkingtreding : 10-01-2014> (2)<W 2017-11-12/07, art. 25, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Art. 48

De in artikel 47 bedoelde [1 personeelsleden ]1, die in hun functies aan de Staat, aan de gemeente (, aan de meergemeentezone ) of aan derden schade berokkenen, moeten deze slechts vergoeden, wanneer zij een opzettelijke fout, een zware fout, of een lichte fout die bij hen gewoonlijk voorkomt, begaan. <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Een lasthebber, aangestelde of orgaan van de Staat, de gemeente of de meergemeentezone die het slachtoffer is van een arbeidsongeval veroorzaakt door één van de in artikel 47 bedoelde [1 personeelsleden ]1, kan slechts een rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen [1 dat personeelslid ]1 instellen voor zover die het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt. ) <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Bovendien kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de [1 personeelsleden ]1, wat de aansprakelijkheid tegenover de staat betreft, geheel of gedeeltelijk ontslaan van de verplichting de schade overeenkomstig (het eerste lid ) te vergoeden. <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2017-11-12/07, art. 26, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Art. 49

§ 1. De rechtsvordering die tegen een [1 personeelslid ]1 wordt ingesteld door de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone ) op grond van artikel 48 is pas ontvankelijk indien zij wordt voorafgegaan door een aanbod tot dading aan de verweerder. Dit aanbod tot dading gaat uit van de overheid aangewezen door de Koning. <W 1998-12-07/31, art. 195, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Dit aanbod omvat, afgezien van de evaluatie van het gevorderde bedrag, de nadere regels van de betaling.

   De in het eerste lid bedoelde overheid kan beslissen dat de schade slechts gedeeltelijk moet worden vergoed.

§ 2. De schadevergoeding die verschuldigd is aan de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone ) door [1 het personeelslid ]1 bedoeld in artikel 47 en waarvan het bedrag hetzij overeengekomen is bij dading, hetzij bij gerechtelijke beslissing werd bepaald, kan worden ingehouden op zijn bezoldiging onder de voorwaarden bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. <W 1998-12-07/31, art. 195, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2017-11-12/07, art. 27, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Art. 50

[1 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid ]1 tegen wie een vordering tot schadeloosstelling wordt ingesteld voor de burgerlijke of de strafrechter kan de Staat (, de gemeente of meergemeentezone ) in het geding betrekken; deze kunnen vrijwillig tussenkomen. <W 1998-12-07/31, art. 196, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   Wat de daden van de personeelsleden van de federale politie of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie betreft, wordt de Staat steeds vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. <W 1998-12-07/31, art. 196, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 31, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>

(1)<W 2017-11-12/07, art. 28, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Art. 51

[2 De Staat, de gemeente of de meergemeentezone ]2, naargelang van het geval, neemt de proceskosten ten laste waartoe [1 het personeelslid ]1 bedoeld in artikel 47, in rechte veroordeeld wordt wegens feiten gepleegd in zijn functies, tenzij hij een opzettelijke fout, een zware fout, of een lichte fout die bij hem gewoonlijk voorkomt, heeft begaan.

   (Wordt één van dergelijke fouten aangetoond, dan beslist de Staat, de gemeente of de meergemeentezone, na [1 het personeelslid ]1 te hebben gehoord, of de proceskosten geheel dan wel gedeeltelijk door hem moeten worden gedragen. ) <W 1998-12-07/31, art. 197, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>

(1)<W 2017-11-12/07, art. 29, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017> (2)<W 2018-07-19/23, art. 7, 040; Inwerkingtreding : 31-08-2018>
Art. 52

§ 1. [2 [4 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid of ex-personeelslid dat ]4, voor daden gesteld in de uitoefening van zijn functies, beroep wenst te doen op bijstand van een advocaat zoals voorzien in [5 de artikelen 47bis en 62 van het Wetboek van strafvordering, in de artikelen 2bis, 15bis, 16, 20 en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, en in artikel 10/1 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel ]5, heeft recht op rechtshulp van een advocaat ten laste van de gemeente, de meergemeentezone of de Staat. ]2

   [4 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid of ex-personeelslid dat ]4 in rechte wordt gedagvaard of tegen wie de strafvordering wordt ingesteld wegens daden gesteld in de uitoefening van zijn functies, heeft recht op rechtshulp van een advocaat ten laste van de gemeente (, de meergemeentezone ) of de Staat. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   (Dit is eveneens het geval voor [4 het personeelslid bedoeld in artikel 47 of het ex-personeelslid dat ]4, hetzij omwille van zijn hoedanigheid van [4 personeelslid ]4 en in de uitoefening van zijn functies, slachtoffer is van een [1 schadelijk feit ]1, hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van [4 personeelslid ]4 het slachtoffer is van een ingrijpende wraakactie. ) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>

   (In geval van overlijden van [4 het personeelslid of ex-personeelslid ]4, komt het in [2 het tweede en derde lid ]2 bedoelde recht op rechtshulp toe aan diens rechthebbenden in de volgorde vastgesteld in artikel 4 van de wet van 12 januari 1970 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van luchtvaartongeval in vredestijd. ) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>

§ 2. Aan [4 het personeelslid ]4 tegen wie de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone ) de in de artikelen 48 en 49 bedoelde burgerlijke rechtsvordering instelt, wordt geen enkele rechtshulp verleend. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 3. [1 De rechtshulp kan naar gelang van het geval door de gemeente, de meergemeentezone of door de Staat worden geweigerd wanneer [4 het personeelslid ]4 een louter morele schadevergoeding nastreeft. De politieambtenaar aan wie de rechtshulp aldus wordt geweigerd, kan, op zijn vraag, zijn standpunt uiteenzetten binnen de tien dagen volgend op de weigeringsbeslissing. De beslissing wordt vervolgens bevestigd of gewijzigd. ]1

   De rechtshulp kan naargelang van het geval door de gemeente (, de meergemeentezone ) of door de Staat worden geweigerd wanneer de feiten klaarblijkelijk in geen enkel verband staan met de uitoefening van de functies. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   De rechtshulp kan eveneens worden geweigerd wanneer [4 het betrokken personeelslid ]4 kennelijk een opzettelijke of zware fout heeft begaan (of, als slachtoffer, de strafbemiddeling bedoeld in artikel 216ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, van meet af aan en zonder gegronde redenen afwijst ). <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>

   [3 Aan het personeelslid dat een vordering tegen de Staat, de gemeente of de meergemeentezone instelt, wordt geen rechtshulp verleend.

   De rechtshulp kan worden geweigerd aan het personeelslid dat een vordering tegen een ander personeelslid instelt. ]3

§ 4. Wanneer de rechtshulp niet is verleend overeenkomstig [3 § 3, tweede, derde en vijfde lid ]3 en uit de rechterlijke beslissing blijkt dat deze weigering niet gegrond was, heeft [4 het personeelslid ]4 recht op terugbetaling van de kosten die hij voor zijn verdediging heeft gemaakt.

   Wanneer de rechtshulp toegestaan is maar uit de gerechtelijke beslissing blijkt dat dit niet diende te geschieden, kunnen de kosten die gemaakt zijn voor zijn verdediging, van [4 het personeelslid ]4 teruggevorderd worden, op de wijze bepaald in artikel 49.

§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden onder welke de honoraria van de advocaat gekozen om de rechtshulp te verlenen ten laste van de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone ) worden genomen. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   De rechtshulp aan de personeelsleden van de federale politie of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie komt ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>

   (De rechtshulp aan de leden van de lokale politie komt ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, behoudens het verhaal van de gemeente of de meergemeentezone op de Staat, indien [4 het personeelslid ]4 van de lokale politie in rechte wordt gedagvaard wegens daden gesteld bij het vervullen van een opdracht voor rekening van de Staat. ) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

   [1 De Koning bepaalt de nadere regels van de tenlasteneming van de rechtshulp voor [4 personeelsleden ]4 die door een andere dienst worden aangewend.

   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen [4 personeelsleden ]4 door een andere dienst worden aangewend zoals bedoeld in het vierde lid. ]1

§ 6. De voorgeschreven rechtshulp houdt niet in dat de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone ) enige aansprakelijkheid erkent. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

(1)<W 2010-12-29/01, art. 75, 022; Inwerkingtreding : 10-01-2011> (2)<W 2013-12-21/22, art. 18, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2012> (3)<W 2016-04-21/06, art. 16, 034; Inwerkingtreding : 09-05-2016 (overgangsbepalingen art. 92 en 93)> (4)<W 2017-11-12/07, art. 30, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017> (5)<W 2018-07-19/23, art. 8, 040; Inwerkingtreding : 27-11-2016>
Art. 53

§ 1. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens welke [2 het personeelslid ]2 bedoeld in artikel 47 wordt vergoed voor de zaakschade die hij, in [1 of ingevolge ]1 zijn functies in vredestijd, heeft geleden.

   Onder zaakschade wordt begrepen, de schade toegebracht aan goederen waarvan [2 het personeelslid ]2 eigenaar of houder is en die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van zijn functies.

§ 2. De vergoeding komt ten laste van de Staat voor [2 de personeelsleden ]2 van de federale politie of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, ten laste van de provincie voor de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet, en ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, voor [2 de personeelsleden ]2 van de lokale politie. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>

§ 3. De vergoeding is uitgesloten wanneer de zaakschade te wijten is aan een opzettelijke of zware fout die toegeschreven kan worden aan [2 het personeelslid ]2.

   Hetzelfde geldt ten belope van het toegekende of toe te kennen bedrag, wanneer de zaakschade vergoed wordt of kan vergoed worden :
1° krachtens een door [2 het betrokken personeelslid ]2 of in zijn voordeel afgesloten verzekering behoudens niet-betaling door de verzekeraar binnen een termijn van één jaar vanaf het ontstaan van de schade;
2° als gerechtskosten in strafzaken.

§ 4. De Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone ) treedt in de rechten en vorderingen van [2 het personeelslid ]2 ten belope van het betaalde bedrag. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 5. De vergoeding door de Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone ) sluit, ten belope van het toegekende bedrag en voor hetzelfde schadelijk feit elk verhaal uit op de Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone ), de organen of aangestelden hiervan. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

§ 6. Wat de personeelsleden van de federale politie betreft komt de vergoeding ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>

[1 § 7. De Koning bepaalt de nadere regels van de tenlasteneming van de zaakschade voor [2 personeelsleden ]2 die door een andere dienst worden aangewend.

   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen [2 personeelsleden ]2 door een andere dienst worden aangewend zoals bedoeld in het eerste lid. ]1

(1)<W 2010-12-29/01, art. 76, 022; Inwerkingtreding : 10-01-2011> (2)<W 2017-11-12/07, art. 31, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>
Art. 53bis

<Opgeheven bij W 2017-11-12/07, art. 32, 036; Inwerkingtreding : 07-12-2017>

Art. 53ter

<Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 201; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt "wet op het politieambt" genoemd.

HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling. <ingevoegd door 2002-08-02/45, art. 156; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
Art. 53quater

<ingevoegd door 2002-08-02/45, art. 156; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Onverminderd artikel 4 van de wet op het politieambt, wordt de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toegekend aan de personeelsleden die aangesteld zijn in de graad van commissaris van politie krachtens de artikelen XII.VII.23, XII.VII.24 of XII.VII.26 RPPol, bevestigd door dezelfde wet.

HOOFDSTUK VI. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.
Art. 54

<Wijzigingsbepaling van art. 569, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>

Art. 55

<Invoegingsbepaling van art. 1bis in de W 1969-06-07/30>

Art. 56

<Wijzigingsbepaling van art. 1 van de W 1919-04-07/30>

Art. 57

§ 1. Artikel 170 van de nieuwe gemeentewet wordt aangevuld met het volgende lid :
" Behoudens de opdrachten bepaald door deze wet, alsook door de bijzondere wetten, worden de opdrachten van de gemeentepolitie vastgelegd door de wet op het politieambt. "

§ 2. In artikel 172 van dezelfde wet, worden de woorden " namelijk het toezien op de naleving van de wetten en politieverordeningen, de handhaving van de openbare orde, de bescherming van personen en goederen, en de hulpverlening aan al wie in gevaar verkeert " geschrapt.

Art. 58

<Wijzigingsbepaling van het opschrift van de W 1934-07-29/30>

Art. 59

§ 1. <Wijzigingsbepaling van art. 15 van de W 1957-12-02/32>

§ 2. <Wijzigingsbepaling van art. 18 van de W 1957-12-02/32>

§ 3. <Wijzigingsbepaling van art. 29 van de W 1957-12-02/32>

§ 4. <Wijzigingsbepaling van art. 60 van de W 1957-12-02/32>

Art. 60

§ 1. <Wijzigingsbepaling van art. 10 van de W 1891-07-25/30>

§ 2. <Wijzigingsbepaling in de nederlandstalige tekst van de art. 10, 11, 12, 14 en 15 van de W 1891-07-25/30>

Art. 61

61. Worden opgeheven :
<Opheffingsbepaling van de art. 17, 19, 20, 22 tot 28, 32 tot 34, 36 tot 39, 42 en 43 van de W 1957-12-02/32>
2° in de nieuwe gemeentewet, de artikelen 173, 174, 176 tot 188, 222, 223 en 224;

Inhoudstabel
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. (Art. 1)
HOOFDSTUK II. - Gezag over de politiediensten en leiding ervan.
Afdeling 1. - (Algemene bepalingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 152; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 5)
Afdeling 2. - (Betrekkingen van de politiediensten met de overheden ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 5/1)
Afdeling 3. - (Coördinatie en leiding van de operaties ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 157; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 7)
Afdeling 4. - (De vorderingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Onderafdeling 1. - (Algemene bepalingen ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 8)
Onderafdeling 2. - (Vorderingen van bestuurlijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 8/4)
Onderafdeling 3. - (Vorderingen van gerechtelijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 8/6)
Afdeling 5. - (Maatregelen tot overleg en coördinatie ). <W 1998-12-07/31, art. 161; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 9)
Afdeling 6. - (De bevoegdheden inzake bestuurlijke politie ). <Ingevoegd bij W 1998-12-07/31, art. 164; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Art. 11)
HOOFDSTUK III. [1 - Opdrachten van de politiediensten. ]1
Afdeling 1.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
Onderafdeling 1.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018> (Art. 14)
Onderafdeling 2.
<Opgeheven bij W 2018-03-21/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
HOOFDSTUK IV. [1 - De algemene vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten. ]1
Afdeling 1. [1 - Zichtbaar gebruik van camera's ]1 (Art. 25/1)
Afdeling 2. [1 - Bezoek van bepaalde plaatsen ]1 (Art. 26)
Afdeling 3. [1 - Fouilleringen ]1 (Art. 27)
Afdeling 4. [1 - Bestuurlijke inbeslagneming en aanhouding ]1 (Art. 30)
Afdeling 5. [1 - Identiteitscontrole ]1 (Art. 34)
Afdeling 6. [1 - Bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid ]1 (Art. 35)
Afdeling 7. [1 - Berekening van de termijnen ]1 (Art. 36)
Afdeling 8. [1 - Gebruik van dwangmiddelen ]1 (Art. 37)
Afdeling 9. [1 - Processen-verbaal ]1 (Art. 40)
Afdeling 10. [1 - Identificatie en legitimatie ]1 (Art. 41)
Afdeling 11. [1 - Bijstand bij de uitvoering van de opdrachten en "sterke arm" ]1 (Art. 42)
Afdeling 12. [1 - Het informatiebeheer ]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene regels betreffende het informatiebeheer ]1 (Art. 44/1)
Onderafdeling 2.
<Opgeheven bij W 2019-05-22/17, art. 5, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019> (Art. 44/3)
Onderafdeling 3. [1 Categorieën van in de A.N.G. en in de basisgegevensbanken geregistreerde persoonsgegevens ]1 (Art. 44/5)
Onderafdeling 4
<Opgeheven bij W 2019-05-22/17, art. 9, 041; Inwerkingtreding : 29-06-2019> (Art. 44/6)
Onderafdeling 5. - [1 De A.N.G. ]1 (Art. 44/7)
Onderafdeling 6. - [1 Basisgegevensbanken ]1 (Art. 44/11/2)
Onderafdeling 7. [1 Bijzondere gegevensbanken ]1 (Art. 44/11/3)
Onderafdeling 7bis. - [1 De gemeenschappelijke gegevensbanken. ]1 (Art. 44/11/3bis)
Onderafdeling 7ter. [1 - Technische gegevensbanken ]1 (Art. 44/11/3sexies)
Onderafdeling 8. [1 De mededeling van gegevens en de toegang tot de A.N.G. ]1 (Art. 44/11/4)
Afdeling 13. [1 - De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de agenten van politie worden vervuld ]1 (Art. 44/12)
Afdeling 14. [1 De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de beveiligingsassistenten en -agenten van politie worden vervuld ]1 (Art. 44/16)
Afdeling 15. [1 - Territoriale bevoegdheid ]1 (Art. 45)
Afdeling 16. [1 - Bijstand. ]1 (Art. 46)
HOOFDSTUK IV/1. [1 - De specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten. ]1
Afdeling 1. [1 - Toezicht op het gebruik van de specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten ]1 (Art. 46/1)
Afdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's ]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen ]1 (Art. 46/2)
Onderafdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's omwille van bijzondere omstandigheden ]1 (Art. 46/4)
Onderafdeling 3. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's bij de voorbereiding van acties van gerechtelijke politie of bij de handhaving van de openbare orde tijdens deze acties ]1 (Art. 46/7)
Onderafdeling 4. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen ]1 (Art. 46/9)
Onderafdeling 5. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van het overbrengen van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 23 ]1 (Art. 46/11)
Onderafdeling 6. [1 - Registratie, bewaring en toegang tot de persoonsgegevens en informatie, en het register ]1 (Art. 46/12)
HOOFDSTUK V. - Burgerlijke aansprakelijkheid en rechtshulp. (Art. 47)
HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling. <ingevoegd door 2002-08-02/45, art. 156; Inwerkingtreding : 29-08-2002> (Art. 53quater)
HOOFDSTUK VI. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen. (Art. 54)